DEN HAAG - De manier waarop de bpm-heffing wordt berekend op uit het buitenland afkomstige tweedehandsauto's is deels in strijd met Europese regelgeving.

Die schrijft voor dat ingevoerde auto's niet zwaarder mogen worden belast dan dezelfde wagens in Nederland.

In een vrijdag gepubliceerde uitspraak stelt de Hoge Raad een autobedrijf in het gelijk dat een juridische strijd voerde over de bpm-heffing.

Eerder deed de rechtbank in Arnhem al uitspraak in deze zaak, maar staatssecretaris Frans Weekers (Financiën) ging daarop in cassatie bij de Hoge Raad. Die heeft dat nu ongegrond verklaard.

Duitsland

Het autobedrijf importeerde 2 jaar geleden een gebruikte auto uit Duitsland. De bpm die verschuldigd was bedroeg 45.481 euro, maar het autobedrijf was het daar niet mee eens en berekende dat iets minder dan 40.000 euro was verschuldigd.

De rechtbank stelde het bedrijf in het gelijk en bepaalde dat ruim 5500 euro aan bpm moest worden teruggegeven.

Uitspraak

Door de uitspraak van de Hoge Raad is de teruggave aan het autobedrijf definitief geworden. In algemene zin betekent het dat de bpm over een ingevoerde auto niet hoger mag zijn dan over een vergelijkbare auto die in Nederland in nieuwe staat geregistreerd was.