De 34-jarige Jason J. moet als het aan het Openbaar Ministerie (OM) ligt veertien jaar de cel in voor de gewelddadige dood van een 22-jarige Bulgaarse prostituee.

Hij heeft haar volgens de Officier van Justitie gewurgd en vervolgens brand gesticht in de woning in Amsterdam-West om het misdrijf te verhullen.

De brandweer trof het deels verkoolde lichaam van de vrouw aan op 25 september 2013 in het huis in de Charlotte de Bourbonstraat, na een melding van een brand. De twee kenden elkaar uit de prostitutie en hadden al enige tijd een relatie, maar de vrouw deed eerder die maand al een melding bij de politie van mishandeling, verkrachting en diefstal van 5.000 euro door J.

De verdachte, een bekend vechtsporter, ontkent dat hij iets te maken heeft met de zaak of dat de relatie gewelddadig was. Wel zegt hij dat hij in de nacht voor haar dood nog bij haar is geweest, dat ze een joint hadden gerookt, seks hadden, zich toen niet zo lekker voelde en even op de bank ging liggen.

Vervolgens zegt hij dat hij de woning heeft verlaten met haar telefoon, zodat ze geen contact meer kon hebben met zijn andere vriendin. Het toestel heeft hij even later weggegooid omdat hij er naar eigen zeggen niks mee kon.

Uitmaken

J. hield er meerdere vriendinnen op na en dat beviel de Bulgaarse niet. De vrouw vertelde bij de politie dat zij de relatie wilde verbreken toen ze hoorde dat hij er iemand anders op nahield, maar dat de verdachte dat niet accepteerde.

"Hij is zo groot en sterk en drukte me tegen het bed, ik heb er nog steeds letsel van." J. zei hierop dat hij uit het dossier heeft opgemaakt dat zijn vriendin "heel goed mensen kon manipuleren".

Freefighter

Volgens het OM is er geen ander scenario mogelijk dan dat J. de dader is. "Deze grote, sterke freefighter heeft de jonge vrouw van slechts 48 kilo en 1,59 meter op gewelddadige wijze van het leven beroofd." Ze houdt hem verantwoordelijk voor doodslag, brandstichting, diefstal en mishandeling.

Observatie in het Pieter Baan Centrum (PBC) heeft niet tot een diagnose geleid, omdat J. niet wilde meewerken. Wel zijn er aanwijzingen voor een persoonlijkheidsstoornis, zo oordeelden deskundigen.