AMSTERDAM - De politie in Amsterdam en het Openbaar Ministerie hebben forse onenigheid gehad over het moment waarop de vermeend topcrimineel Willem Holleeder zou worden aangehouden.

Na drie liquidaties, vlak na elkaar, in het najaar van 2005, was de druk bij de Amsterdamse politie en burgemeester Job Cohen om iets te ondernemen groot.

Holleeder werd op 30 januari aangehouden, op verdenking van afpersing. Dit was tegen de wil van toenmalig officier van justitie Fred Teeven. Dit zegt John Olierook, politiecommissaris van de Nationale Recherche, unit Randstad-Noord, deze week in Vrij Nederland. Olierook geeft leiding aan het onderzoek naar de afpersingen van vastgoedhandelaren, onder wie de in 2004 vermoorde Willem Endstra.

Te druk

Teeven wilde Holleeder volgens Olierook nog niet oppakken, omdat hij druk was met andere strafzaken. "Ik wilde hem wel aanhouden. We waren ver genoeg met het onderzoek. Al zou hij maar twee jaar krijgen, we moesten iets doen", aldus Olierook.

De Nationale Recherche is op 18 mei 2004, een dag na de liquidatie van Endstra een onderzoek naar de afpersingen begonnen. Volgens Olierook heeft justitie een sterke zaak tegen Holleeder en zijn medeverdachten, die samen een gewelddadige afpersingsbende zouden hebben gevormd.

Zestien jaar

"Holleeder zit nu tegen de zestien jaar gevangenisstraf", aldus Olierook. De afpersingen zijn rond, zo stelt hij en "er komen nog wel een paar zware zaken bij". Enkele vastgoedhandelaren van wie het OM beweert dat ze zijn afgeperst door Holleeder en zijn kompanen, ontkennen dat echter. Om dit probleem te ondervangen, heeft de politie een nieuwe methode ingezet, vertelt Olierook: het afluisteren van slachtoffers en hun omgeving. Alles wat in deze gesprekken, waarin de betrokkenen open met elkaar praten, wordt gezegd, kan worden meegenomen in het bewijs. Zo hoeven de slachtoffers niet te getuigen.