Kritiek op hulpverlening in zaak-Maasmeisje

ROTTERDAM - De instanties in Rotterdam die zich hebben beziggehouden met de hulpverlening rond het vermoorde meisje Gessica hebben niet goed onderling gecommuniceerd.

"Hoewel de instanties regelmatig onderling contact hebben gehad, is er weinig gestructureerd sprake geweest van terugmelding van contacten van de instanties aan elkaar", aldus het college van burgemeester en wethouders in een brief aan de gemeenteraad die donderdag is verstuurd.

Onderzoek

Naar aanleiding van de dood van het zogenoemde Maasmeisje heeft de Rotterdamse wethouder Leonard Geluk een intern onderzoek laten verrichten naar de rol van de jeugdhulpverleningsinstellingen en gemeentelijke diensten.

Het lichaam van Gessica werd in de maanden juni en juli in stukken teruggevonden in de Maas. Haar vader is verdachte. Bij de hulpverlening rond Gessica en haar vader waren de school, jeugdzorg, het schoolmaatschappelijk werk en de leerplicht actief.

Ondersteuning

Volgens het college is het beeld dat niemand naar het meisje omkeek niet bevestigd. "Iedereen probeerde vanuit zijn positie zo goed mogelijk ondersteuning te bieden teneinde Gessica zo normaal mogelijk te doen opgroeien", aldus het stadsbestuur.

In afwachting van de uitslag van het onafhankelijk onderzoek van de inspecties onderwijs, jeugdzorg en gezondheidszorg, heeft het college besloten alvast een aantal maatregelen te nemen. Een daarvan is dat instanties die zich met hulpverlening aan kinderen bezighouden, sneller met elkaar om tafel gaan zitten en maatregelen nemen.

Informatie

Vanaf 15 november geldt dat de instanties binnen drie dagen een zogenoemd escalatieoverleg voeren. Op die manier kunnen de hulpverleners beter informatie met elkaar uitwisselen.

Verder moet er een versnelde melding van schoolverzuim komen aan de leerplichtambtenaren als duidelijk is dat een kind onder toezicht van jeugdzorg staat.

Volgens het stadsbestuur zal het eindrapport van de drie inspecties eind maart 2007 gereed zijn.

Tip de redactie