ANKARA - Turkije heeft zaterdag na vijftien jaar de noodtoestand in het zuidoosten van het land opgeheven. Daarmee komt een einde aan een periode waarin de veiligheidsdiensten verregaande bevoegdheden hadden in de strijd tegen Koerdische separatisten. Het conflict kostte meer dan 30.000 voornamelijk Koerdische levens.

"Een nieuwe normale periode begint voor de regio", zei minister van Binnenlandse Zaken Abdulkadir Aksu tegen verslaggevers in de voornamelijk door Koerden bewoonde stad Diyarbakir. Ongeveer duizend mensen vierden in het centrum van de stad het besluit met dans en zang.

Het parlement in Ankara besloot in juni de noodtoestand op 30 november op te heffen in de provincies Sirnak en Diyarbakir. Eerder dit jaar werd de uitzonderingstoestand al in twee andere provincies beëindigd.

De Turkse regering voerde in 1987 de noodtoestand in, drie jaar nadat de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) een bloedige strijd om de onafhankelijkheid was begonnen. Door het besluit kregen de autoriteiten buitengewone bevoegdheden om verdachten op te sluiten, onderzoekingen te doen, kranten te verbieden en uitgaansverboden uit te vaardigen.

Leger en politie werden hierna beschuldigd van ernstige schendigen van de mensenrechten. Honderden dorpen in het grensgebied met Irak werden ontruimd. Beschuldigingen van marteling, verdwijningen en buitengerechtelijke executies waren wijdverbreid in de jaren negentig toen de gevechten een hoogtepunt bereikten.

De Koerdische regio kwam tot rust na de arrestatie in 1999 van PKK-leider Abdullah Öcalan. Die riep de rebellen op zich uit Turkije terug te trekken en de gewapende strijd te staken. Öcalan gaf de strijd voor onafhankelijkheid op en spoorde zijn aanhangers aan op vreedzame wijze te vechten voor meer culturele rechten.