UTRECHT - Kinderen moeten te lang op psychische hulp wachten omdat de bureaus jeugdzorg en de geestelijke gezondheidszorg (ggz) voor de jeugd niet goed samenwerken. In geen van de vijftien regio's die de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Inspectie Jeugdzorg hebben onderzocht komt de hulp van de grond zoals dat volgens de Wet op de jeugdzorg zou moeten.

Dat blijkt uit een onderzoek dat beide inspecties dinsdag presenteren op een symposium in Utrecht. Volgens de wet moet elk kind dat psychische hulp nodig heeft via Bureau Jeugdzorg worden doorverwezen naar de jeugd-ggz. Het Bureau Jeugdzorg moet dan formeel vaststellen dat het kind psychische hulp nodig heeft.

Daarna volgt echter veelal nog een intakegesprek bij de psycholoog van de jeugd-ggz om vast te stellen welke psychische hulp. Dit leidt vaak tot veel langere wachttijden dan nodig.

Huisarts

In veel regio's, zoals in Gelderland, komen kinderen nog rechtstreeks via de huisarts binnen. Dat gaat sneller, maar volgens de wet mag dat alleen bij uitzondering zoals in crisisgevallen. In Overijssel klaagt de jeugd-ggz dat het Bureau Jeugdzorg te globaal te werk gaat bij het vaststellen welke hulp een kind nodig heeft. Het Bureau Jeugdzorg heeft echter niet de kennis om preciezer te werk te gaan.

Ook de uitwisseling van gegevens tussen de beide instellingen laat nogal eens te wensen over. Volgens de wet moeten de psychologen en psychiaters altijd aan de Bureaus Jeugdzorg ter verantwoording doorgeven dat ze een kind in behandeling hebben.

Nut

Veel jeugdpsychologen weigeren dat nog. Zij twijfelen aan het nut van die informatie-uitwisseling en vrezen ook voor de privacy van hun klantjes.

Als die informatie ontbreekt, kan het Bureau Jeugdzorg echter niet elk kind volgen en in de gaten houden of het wel geholpen wordt, zoals de wet voorschrijft. Bovendien leidt het tot problemen als het Bureau Jeugdzorg extra zorg wil. In Noord-Holland bestaat hierdoor het risico dat kinderen door meer hulpverleners geholpen worden, zonder dat die dat van elkaar weten.

Afspraken

Verder blijkt uit het onderzoek dat de jeugd-ggz en de Bureaus Jeugdzorg nergens echt duidelijke afspraken maken over wie het overzicht en de controle houdt op de behandeling van een kind, terwijl de Bureaus Jeugdzorg dat wel moeten doen.

Voor GGZ Nederland kwamen de resultaten van het onderzoek niet als een verrassing, zegt plaatsvervangend directeur Goof van Gemert. "De Bureaus Jeugdzorg en de jeugd-ggz zijn op de werkvloer naar elkaar toegegroeid, maar nu moeten we voorkomen dat het traject van hulp voor de kinderen te lang duurt."

Oplossing

Beide partijen hebben al met elkaar om de tafel gezeten om een oplossing te vinden. Ze hebben een protocol ontwikkeld waarin staat omschreven hoe de samenwerking tussen beide instanties is geregeld, zodat er geen dubbel werk wordt gedaan.

"Kort gezegd houdt Bureau Jeugdzorg zich bezig met vaststellen van het probleem, en de jeugd-ggz met de behandeling hiervan." Van Gemert denkt dat de Bureaus Jeugdzorg en jeugd-ggz nog minimaal een jaar nodig hebben om de samenwerking te optimaliseren.

Instellingen

Ook staatssecretaris Clémence Ross (VWS) denkt dat jongeren door het nieuwe protocol sneller bij de juiste instellingen terecht komen. Dat schreef ze dinsdag in een brief aan de Tweede Kamer.

Ross gaf vorig jaar het Interprovinciaal overleg (IPO) opdracht om samen met de betrokken partijen het protocol te ontwikkelen. Volgens Ross beschrijft de richtlijn precies welke informatie het Bureau Jeugdzorg moet verzamelen en welke methoden het moet gebruiken bij het vaststellen van (psychische) problemen.

Beterschap

Ten slotte beloven ook het IPO, de belangenorganisatie van provincies, en de MOgroep, de koepelorganisaties van de Bureaus Jeugdzorg, beterschap. De Bureaus Jeugdzorg vallen onder het beheer van de provincies.