DEN HAAG - Het rapport Omtrent Srebrenica over een doofpot bij Defensie was zeer onvolledig. Onderzoeker Van Kemenade heeft onvoldoende doorgevraagd en stond onder grote tijdsdruk. Daardoor wijken zijn conclusies af van die uit het NIOD-rapport.

H. Blom, directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie zei dat woensdag voor de parlementaire enquêtecommissie Srebrenica. Van Kemenade stelde in zijn rapport uit 1998 dat de top van de Landmacht tijdens en na de val van de enclave niet bewust informatie had achtergehouden aan minister Voorhoeve. Blom hield vol dat er wel degelijk onwil en onkunde was om de bewindsman onmiddellijk en op eigen initiatief in te lichten.

Blom zwakte de harde conclusies uit het NIOD-rapport over het onderzoek van Van Kemenade af door er op te wijzen dat deze niet meer dan zes weken de tijd had om zijn werk te doen. De toenmalige minister van Defensie, De Grave, wilde snel een gezaghebbend oordeel over een mogelijke doofpotaffaire. Van Kemenade trof die niet aan.

Blom constateerde dat met name de bevelhebber van de Landmacht, generaal Couzy, een vechthouding innam ten opzichte van de centrale defensieorganisatie en de minister. Volgens de NIOD-directeur werd Couzy er zelden op betrapt uit eigen beweging de minister te informeren. Dat begon al in Zagreb waar de Nederlandse militairen na de val van Srebrenica in juli 1995 hun verhaal vertelden. Bij de plaatsvervanger van Couzy, generaal Van Baal, was dat gebrek aan goede wil volgens Blom veel minder nadrukkelijk te bespeuren.

De NIOD-directeur bestreed dat uit zijn omvangrijke rapport, waaraan zes en een half jaar is gewerkt, kan worden geconcludeerd dat het besluit tot uitzending van blauwhelmen naar Bosnië onvermijdelijk heeft geleid tot de val van de veilige enclave Srebrenica. Die stelling heeft de commissie in de verhoren herhaaldelijk betrokken.