DELFT - Het inrichten van noodoverloopgebieden om overstromingen door extreem hoogwater te voorkomen is nutteloos. De kans dat de grote rivieren werkelijk zo'n hoge waterstand zouden bereiken, is dermate klein dat de kosten van de operatie, miljarden euro's, op geen enkele manier opwegen tegen het veronderstelde nuttig effect. Het advies om noodoverloopgebieden in te richten is gebaseerd op kansloze theorie of fantasie.

Dat zegt drs. E. de Boer, universitair hoofddocent Openbare Werken en Waterstaat van de Technische Universiteit (TU) Delft. De Boer heeft in opdracht van acht Nederlandse en twee Duitse gemeentebesturen onderzoek gedaan naar nut en noodzaak van de noodoverloopgebieden. Zijn rapport Noodoverloop: Airbag of Luchtzak komt in januari officieel uit.

Eens in 1250 jaar

De door het rijk ingestelde commissie-Luteijn adviseerde dit voorjaar om de Ooijpolder bij Nijmegen, het Rijnstrangengebied bij Arnhem en de Beersche Overlaat bij Oss aan te wijzen als noodoverloopgebied voor het geval de Rijn een waterafvoer zou bereiken van 18.000 m3 per seconde. Dat kan volgens Luteijn eens in de 1250 jaar gebeuren. De Boer noemt het hele advies een "losgeslagen en onthutsende onzindiscussie."

Volgens De Boer, die eerder ook adviezen heeft uitgebracht voor onder andere Rijkswaterstaat, is de veronderstelling dat een hoogwatergolf van 18.000 m3 per seconde Nederland zou bereiken "bijna hilarisch."

"De hoogste waterstand ooit in de Rijn was .600 m3 per seconde in 1926. Met rivierverruimende maatregelen kunnen de dijken straks een maximale afvoer van 16.000 kubieke meter aan, terwijl ook in Duitsland allerlei waterbeheersingsmaatregelen worden genomen. Er is een kans van een op de 4000 jaar dat er ooit nog meer water zou komen. Luteijn heeft zich in die berekening vergist, maar blijft op het verkeerde pad voortdenderen", aldus de onderzoeker.

Vertrouwelijke onderzoeksverslag

De Boer wijst in zijn nog vertrouwelijke onderzoeksverslag ook op tal van andere vergissingen in het eindrapport van Luteijn. Zo is een kaart opgenomen van gebieden die bij extreem hoogwater onder zouden lopen. Op die kaart zijn echter geen dijken getekend, terwijl die er wel degelijk zijn. De voorgestelde noodoverloopgebieden zijn veel te klein voor opvang van de watermassa die Luteijn voorspelt.

Ook gaat het rapport uit van voortschrijdende stedelijke bebouwing van natuurgebieden, wat via andere wetten en regels allang aan banden is gelegd. De Boer is voorstander van de maatregelen die Rijkswaterstaat gaat nemen in het plan Ruimte voor de Rivier, zoals terugleggen van dijken en uitdiepen van uiterwaarden. Als dat allemaal is gebeurd, zegt hij, is Nederland tot 2050 meer dan voldoende voorbereid op extreem hoogwater. Hij noemt het heel gevaarlijk om steeds meer publieke weerstand tegen waterbeheersing op te roepen door "halfbakken adviezen."