NIJMEGEN - Het aantal Nederlanders dat in het dagelijks leven een dialect of spreektaal gebruikt, neemt snel af. Het Limburgs is nog het populairst. Het aantal Friezen dat zijn eigen taal spreekt, is echter sinds 1995 met bijna 20 procent gedaald.

Dat blijkt uit een onderzoek van dr. Geert Driessen van onderzoeksbureau ITS in Nijmegen, onderdeel van de Radboud Universiteit. De resultaten zijn woensdag gepresenteerd. Driessen verzamelde de gegevens van 35.000 basisscholieren en hun ouders.

Streektalen

Nederland kent naast het Nederlands drie erkende streektalen: Fries, Limburgs en Nedersaksisch. Daarnaast wordt in veel gebieden een dialect gesproken, zoals Zeeuws of Brabants. In 1995 gebruikte nog een kwart van de ouders dialect of streektaal, maar in 2003 was hun aantal met eenderde geslonken tot 18 procent.

Onder kinderen komt het gebruik van streektaal nog maar weinig voor. Slechts enkele procenten van de onderzochte scholieren zeggen dat ze dialect spreken. Vooral in het Nedersaksisch en het Brabants zijn de verschillen tussen ouders en kinderen groot: nog ruim een kwart van de volwassenen gebruikt bijvoorbeeld Nedersaksisch, terwijl maar 4 procent van hun kinderen dat doet.

Taalvaardigheid

Driessen heeft ook onderzocht of het gebruik van streektaal of dialect de taalvaardigheid in het Nederlands beïnvloedt. Dat blijkt negatief uit te pakken voor ouders en kinderen die Brabants spreken. Limburgers die hun eigen taal gebruiken beheersen het Nederlands juist goed.

In de zuidelijke provincie is het Limburgs spreken het populairst onder gezinnen van havo/vwo-niveau. Academisch geschoolde gezinnen gebruiken het Limburgs het minst, zo is gebleken.