DEN HAAG - Het hogere echelon van de Verenigde Naties in Sarajevo en Zagreb was in de laatste maanden voor de val van de moslimenclave Srebrenica in het geheel niet op de hoogte van de plaatselijke situatie. De toenmalige overste Th. Karremans van het Nederlandse bataljon heeft dat maandag gezegd voor de parlementaire enquêtecommissie Srebrenica.

Karremans zei bij verzoeken om hulp of informatie voortdurend nul op het rekest te hebben gekregen. Hij noemde zich voor de commissie "een roepende in de woestijn". Karremans was van januari tot en met juli 1995 commandant van Dutchbat III.

In de dagen voor de val van de enclave was de verstandhouding tussen Karremans en de leiding in het hoofdkwartier in Sarajevo, die op dat in handen was van de Nederlandse brigade-generaal C. Nicolai, ernstig verslechterd.

Tegen Nicolai verklaarde Karremans dat de opdracht een zogeheten blocking position met pantservoertuigen in te nemen niet uitvoerbaar was. De gevechtsleiding van het bataljon was op dat monent in handen van majoor R. Franken. Karremans hield zich vooral met de communicatie met Sarajevo bezig.

Ontwapenen

Volgens Karremans was het vrijwel onmogelijk de militairen van het Bosnische leger te ontwapenen. Daarvoor had hij te weinig mensen en materiaal en was bovendien de VN-opdracht te beperkt. Hij had sterk de indruk dat er steeds meer gloednieuwe wapens binnen de enclave te vinden waren. "Op het eind zag je meer nieuwe dan oude wapens."

Met Franken heeft Karremans geprobeerd de Bosnische strijders in te schakelen bij de verdediging van een waarnemingspost. Die zouden de witte vlekken in de omgeving moeten bezetten. Maar dat haalde weinig uit. "Als je ze nodig had, kwamen ze niet opdagen", aldus Karremans.

Karremans beklemtoonde dat Dutchbat alleen geweld mocht gebruiken ter zelfverdediging en als de bevolking werd aangevallen. Hij schreef het toe aan de Nederlandse militaire cultuur dat Dutchbat zich voorzichtig heeft opgesteld.