DEN HAAG - De nadruk die de politiek in de Srebrenica-enquête heeft gelegd op het belang van luchtsteun, is overdreven. Het luchtwapen was in de situatie die destijds in de Srebrenica bestond niet het wondermiddel dat de enclave op langere termijn had kunnen redden. Luchtaanvallen hadden hoogstens tijdwinst kunnen opleveren.

Dat zei de toenmalig souschef operatiën van de defensiestaf, comodore Carel Hilderink vrijdag tegenover de parlementaire enquêtecommissie over Srebrenica. De luchtmachtofficier maakte de val van Srebrenica mee als coördinator van het crisiscentrum in de 'bunker' van het ministerie van Defensie.

Volgens de huidige gouverneur van de Koninklijke Militaire Academie (KMA) zetten luchtaanvallen onvoldoende zoden aan de dijk als er op de grond geen zogeheten 'groene operatie' plaatsvindt.

Met groen doelt Hilderink op een grootschalige militaire aanwezigheid die robuust bewapend is en een mandaat heeft om op eigen initiatief in te grijpen. Dutchbat was als een licht bewapende 'blauwe operatie', niet geschikt om de enclave, ook al was er luchtsteun, op de langere termijn tegen de Bosnische-Serviërs te verdedigen.

De kritische opmerkingen van Hilderink leken vooral gericht te zijn op de uitspraken deze week van Tweede-Kamerleden van CDA, PvdA en VVD en de voormalige ministers Kooijmans (Buitenlandse Zaken) en Ter Beek (Defensie). Stuk voor stuk beweerden zij ervan overtuigd te zijn dat de enclave niet zou zijn gevallen als er effectief gebruik was gemaakt van het luchtwapen.

De aanwezigheid van luchtsteun was voor hen ook de doorslaggevende factor geweest om in te stemmen met de missie van Dutchbat, een humanitaire vredeshandhavende operatie in de moslimenclave Srebrenica.

De toenmalige militaire adviseur van de secretaris-generaal van de VN, de Nederlandse generaal Frank van Kappen, zei als tweede getuige voor de commissie dat de VN al in 1993 wist dat het gekozen concept van Unprofor op zijn zachtst gezegd een uiterst moeizame operatie zou opleveren. Een kleine lichtbewapende militaire aanwezigheid die de vrede moest handhaven in een regio waar geen vrede was en waar bloedige strijd geleverd werd, was gedoemd om te mislukken, kon uit zijn woorden worden opgemaakt.

Dat de VN de missie op deze wijze toch wenste door te zetten had volgens Van Kappen te maken met het koude-oorlogsdenken dat nog naijlde in de gangen van het hoofdkwartier van de VN in New York. Voor de val van de muur was er alleen ruimte voor klassieke vredesoperaties; niet of lichtbewapende manschappen die meer als waarnemer een symbolische missie uitvoerden.

Dat een dergelijk instrument niet paste op bloedige burgeroorlogen zoals die zich na de val van de muur in Afrika en de Balkan voordeden, drong maar moeilijk door tot de VN-bureaucratie. "Het was een leerproces. De knop ging maar heel langzaam om", aldus Van Kappen.