DEN HAAG - Nederlandse militairen waren te licht bewapend en kregen onvoldoende steun om in juli 1995 de moslimenclave Srebrenica te beschermen. Verzoeken om luchtsteun voor Dutchbat werden genegeerd. De operatie bleek een mission impossible. Dat is de strekking van de verhoren op de eerste dag van de parlementaire enquêtecommissie Srebrenica. Vier officieren werden ondervraagd over de val van de moslimenclave, die zij tegen Bosnische Serviërs moesten beschermen. Dat mondde uiteindelijk uit in de dood van naar schatting 7500 moslims, voor het merendeel mannen.

Toenmalig plaatsvervangend commandant van Dutchbat R. Franken en compagniecommandant J. Groen stelden maandag voor de commissie dat het verzoek om luchtsteun herhaaldelijk om "onbegrijpelijke redenen" werd afgewezen. "Zelfs ook een keer omdat er een verkeerd formulier was ingevuld", zei de majoor cynisch. Groen had al om luchtsteun gevraagd toen een waarnemeningspost werd aangevallen.

Steun voor Dutchbat

Franken en luitenant L. van Duijn verdedigden de steun van Dutchbat aan de evacuatie van vluchtelingen uit het opvangkamp Potocari. Het was volgens hen onverantwoord om de duizenden vluchtelingen daar nog langer te houden. Franken weersprak de kritiek van de Nederlandse generaal Nicolai, de rechterhand van de VN-opperbevelhebber. Die had tegen het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie gezegd dat er voldoende vrachtwagens beschikbaar waren om Dutchbat en een groot aantal vluchtelingen "met een dagje extra rijden" zelf in veiligheid te brengen.

Franken koos bij de evacuatie de kant van Van Duijn tegen tweede luitenant J. Rutten, die verklaarde dat Dutchbat het wegvoeren van vluchtelingen te veel ondersteunde. Volgens hem voldeed Nederland slechts aan het verzoek van de Verenigde Naties de evacuatie te begeleiden.

Volgens Van Duijn hebben de Nederlandse militairen op geen enkele manier een bijdrage geleverd aan het scheiden van mannen en vrouwen door de Bosnisch-Servische strijdkrachten. Van een Servische commandant kreeg Van Duijn te horen dat moslimmannen uit de vluchtelingenstroom werden gehaald voor ondervraging. Toen de luitenant paspoorten van moslimmannen terugvond, rees bij hem het vermoeden dat het met hen niet goed zou aflopen.

"Rutten noemde mij een oorlogsmisdadiger"

Rutten heeft Van Duijn steeds verweten dat hij bij de evacuatie van de moslimmannen te veel medewerking heeft verleend aan de Serviërs. "Rutten noemde mij een oorlogsmisdadiger", zei Van Duijn. Tot een aanklacht tegen Van Duijn is het nooit gekomen. De aangifte van smaad die Van Duijn vervolgens tegen Rutten indiende, werd in 1999 geseponeerd.

Rutten, die bekendheid verwierf door een mislukt fotorolletje, was kwaad dat de leiding niets wilde inbrengen tegen de evacuatie van de vluchtelingen door de Bosnische Serviërs. "Het was een deportatie. Er is geen ander woord voor", aldus Rutten. Enige uren tevoren had Rutten foto's gemaakt van negen doodgeschoten mannen. Hij zei zich moeilijk te kunnen voorstellen dat Van Duijn handelde op gezag van de bataljonsleiding. Maar Franken sprak het gedrag van Van Duijn goed.

Een jaar na de val van Srebrenica werd Van Duijn door Defensie-voorlichting aangeraden niet mee te werken aan een televisie-uitzending over de evacuatie. Hem werd gemeld dat het voor Defensie en de verantwoordelijke minister beter was dat de vondst van de paspoorten buiten de publiciteit bleef. De paspoortenvondst kwam uiteindelijk een jaar later naar buiten. Volgens Van Duijn zijn de verwijten over zijn optreden en zijn verhalen in de Defensie-evaluaties van nadelige invloed geweest op zijn carrière binnen Defensie. Een overstap naar de Koninklijke Marechaussee in 1997 ging volgens hem om die reden niet door. Twee jaar later corrigeerde Defensie de beslissing.

Groen, Rutten en Van Duijn waren zeer ontevreden over de zogeheten debriefing, enige weken na de val van de enclave. Ze hadden aanvankelijk geen verslag gezien dat op grond van hun ervaringen was opgemaakt. Later bleek dat er veel onjuistheden in de eindrapporten waren te vinden. Rutten was teleurgesteld over het optreden van generaal Couzy, de bevelhebber van de landstrijdkrachten. De generaal weigerde gewag te maken van de genocide die in de enclave had plaatsgevonden, terwijl hij er genoeg aanwijzingen voor had gekregen, aldus de luitenant. De verhoren worden woensdag voortgezet.