DEN HAAG - De armoede onder ouderen verschuift naar de jongeren onder hen. Door het afschaffen van vut- en prepensioenregelingen is een groep armen ontstaan onder 55- tot 65-jarigen die onder meer door gezondheidsproblemen niet of slechts ten dele kunnen meekomen op de arbeidsmarkt. Onder deze 'jongere ouderen' leeft een op de tien huishoudens, ofwel circa 150.000 personen, onder de armoedegrens.

Dat blijkt uit de Rapportage Ouderen 2006 van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Het planbureau wijst op het beleid van het huidige kabinet dat "een langer leven ook vertaald moet worden in een langer actief leven, zowel in betaalde arbeid als in vrijwilligerswerk".

Uit het rapport naar de circa 4,2 miljoen 55-plussers blijkt ook dat ouderen actiever zijn. De toenemende gezondheid en opleidingsniveau maken mensen tot op latere leeftijd zelfstandig.

Financiële positie

Ook is de financiële positie van veel ouderen de afgelopen tien jaar verbeterd. Deze vooruitgang kennen 65-plussers vooral door belastingvoordeel in de vorm van een ouderenkorting, maar ook aan betere aanvullende pensioenen naast de AOW.

Maar de 65-minners die door werkloosheid en/of arbeidsongeschiktheid een uitkering moesten aanvragen, zijn de afgelopen jaren geconfronteerd met een inkomensachteruitgang van gemiddeld 22 procent. De 'jongere ouderen' hebben nauwelijks kans op een nieuwe baan en moeten volgens het SCP vaak een lange periode rond komen van een laag inkomen. Vroeger werd volgens het planbureau deze groep vaak nog opgevangen door vut- en prepensioenregelingen.

Jaarlijks stopt volgens het SCP nog ongeveer 8 procent van de ouderen voor hun 65e verjaardag met werken met behulp van een vut- of prepensioenregeling. Zij moeten daarbij ook een flink deel van hun besteedbaar inkomen inleveren: gemiddeld 15 procent.

De arbeidsparticipatie is de laatste jaren vooral onder gezonde ouderen gestegen. Laag opgeleide vrouwen en ouderen met een slechte gezondheid blijven volgens het SCP naar verhouding ver achter.

Leeftijdsgroep

Vorig jaar werkte 52 procent van de mannen van 55 tot en met 64 jaar, terwijl dat in 1992 nog maar 40 procent was. Bij vrouwen in deze leeftijdsgroep steeg de arbeidsparticipatie van 11 naar 27 procent. De gemiddelde leeftijd dat mensen stoppen met werken verschoof de afgelopen tien jaar van circa 60 jaar naar 61 tot 62 jaar.