HAARLEM - De bewaarders die in de nacht van de fatale brand in het cellencomplex op Schiphol-Oost werkzaam waren, hebben "alles gedaan wat ze konden doen". Dat zei de 27-jarige wachtcommandant van die nacht vrijdag voor de rechtbank in Haarlem, waar een begin werd gemaakt met het voorlopig getuigenverhoor rond de Schipholbrand.

Bekijk video: Modem/ Breedband

D. was in die in die fatale nacht van 26 op 27 oktober 2005, waarin elf gedetineerden om het leven kwamen, verantwoordelijk voor de gevangenen en het complex. Uit zijn verhaal kwam naar voren dat hij niet door de juiste persoon is gewaarschuwd over de brand, dat hij, toen hij ter plekke kwam, niets meer kon doen en dat zijn collega's ook maar beperkt gedetineerden konden evacueren. Over het blussen van de brand repte hij niet.

Brandoefening

Ook vertelde de getuige dat hij sinds zijn aantreden in het complex begin 2005 tot aan de brand, één keer een brandoefening had meegemaakt. Die vond overigens plaats in een kleinere vleugel dan vleugel K waar de brand zich voordeed en daaraan deden geen gedetineerden mee, alleen bewaarders. Ook uitte hij voor de rechtbank zijn twijfels die hij had over de brandveiligheid van het complex.

De wachtcommandant gaf aan dat hij in de nacht van de brand de nooddeur van vleugel K met een sleutel heeft geopend, hoewel de nooddeuren met een automatisch systeem ook moeten kunnen opengaan.

Vlammen

Een centrale ontgrendeling voor de celdeuren was er niet. Deze nooddeur smolt echter binnen zeer korte tijd door de hitte en de vlammen. Naar binnen gaan, kon hij niet meer.

De getuigende bewaarder heeft vervolgens gevangenen van een andere vleugel geëvacueerd. "Ze waren agressief en gooiden met van alles en nog wat. Het is een wonder dat ze naar en mij en mijn collega hebben geluisterd en daar naar toe gingen, waar ik ze heen stuurde", zo vertelde hij.

Aansprakelijk

Letselschade-advocaat Martin de Witte voert het getuigenverhoor namens 25 slachtoffers. Hij wil aantonen dat de overheid en wellicht nog andere partijen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de brand en dat de overlevenden recht hebben op een schadevergoeding.

De wachtcommandant is de eerste getuige in een lange reeks en volgens De Witte van groot belang. "Hiermee is aangetoond dat de brand te laat is ontdekt, dat er is niet geblust en dat het met de bouwconstructie niet goed zat. Hoe kan het dat een nooddeur in zeer korte tijd smelt, terwijl de norm bij een brand in een cel is dat mensen dertig minuten de tijd moeten hebben om iemand te helpen ontsnappen? Die tijd hebben deze mensen niet gehad."

De rechtbank gaat vrijdagmiddag verder met het horen van een gedetineerde.