AMSTERDAM - De rechtbank in Amsterdam buigt zich vrijdag andermaal over de zaak rond de Kosovaarse scholiere Taïda Pasic. Deze keer moet de rechter de vraag beantwoorden of de 18-jarige Taïda de uitslag van haar beroepsprocedure in Nederland mag afwachten. In die procedure vecht de scholiere de afwijzing van haar bezwaar tegen uitzetting aan.

In januari wees de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) haar aanvraag voor een voorlopige verblijfsvergunning af. Taïda wil in Nederland blijven om haar school af te maken. Zij doet dit schooljaar eindexamen vwo. De IND liet haar destijds uit de klas van haar school in Winterswijk halen, hetgeen tot grote verontwaardiging leidde.

Wirwar

De zaak rond Taïda bestaat uit een wirwar van elkaar opeenvolgende beslissingen, bezwaren en daaruit voortvloeiende procedures. Vrijdag vraagt Taïda voor de tweede keer een voorlopige voorziening van de rechter, ten einde de uitkomst van haar procedure te mogen afwachten.

Op 28 februari besliste minister Verdonk van Vreemdelingenzaken dat de Kosovaarse het land moest verlaten. Volgens de bewindsvrouw heeft Taïda oneigenlijk gebruikgemaakt van de procedures voor de aanvraag van een voorlopige verblijfsvergunning.