Zaak-Taïda 7 april weer voor rechter

AMSTERDAM - De rechtbank in Amsterdam buigt zich 7 april over de zaak van de dreigende uitzetting van de Kosovaarse scholiere Taïda Pasic. Dat zei een woordvoerster van de rechtbank dinsdag.

Het gaat er volgende week vrijdag om of ze in Nederland mag afwachten wat de rechter beslist op de beroepsprocedure die Taïda aanspande tegen de afwijzing van haar bezwaar tegen uitzetting.

Uitzettingsgevaar

Tot de zitting op 7 april mag Taïda in Nederland blijven. Ook de uitspraak mag de Kosovaarse in Nederland afwachten. Dat heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank in Amsterdam dinsdagmiddag besloten. In een verklaring geeft de rechtbank aan dat "deze mondelinge beslissing is genomen, omdat er acuut uitzettingsgevaar dreigde". Tegen de beslissing, die als een ordemaatregel kan worden beschouwd, kan de minister geen beroep aantekenen.

In januari haalde de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) Taïda uit de klas op haar school in Winterswijk, nadat haar aanvraag voor een voorlopige verblijfsvergunning was afgewezen. Het meisje wilde die vergunning, zodat ze in Nederland eindexamen kon doen. Tegen de afwijzing tekende Taïda bezwaar aan, dat de IND afwees.

Taïda spande tegen die beslissing op haar beurt een beroepsprocedure aan, die momenteel nog loopt. De zitting van 7 april is de tweede keer dat de scholiere een voorlopige voorziening vraagt, waardoor ze de uitkomst van een procedure in Nederland mag afwachten.

School

Eigenlijk zou dinsdag de laatste dag zijn dat Taïda in Nederland mocht zijn, maar haar gastouder H. Meulenkamp liet eerder al weten dat ze dan gewoon naar school gaat. Minister Verdonk (Vreemdelingenzaken) bepaalde 28 februari dat de Kosovaarse weg moest, omdat ze oneigenlijk gebruik zou hebben gemaakt van de procedures rond de aanvraag van een verblijfsvergunning voor haar studie.

Tip de redactie