'Vastzetting Taida was rechtmatig'

DEN HAAG - De staandehouding en daarop volgende vreemdelingenbewaring van het Kosovaarse meisje Taïda Pasic in januari was niet onrechtmatig. Dat heeft de Raad van State vrijdag bepaald, die daarmee een uitspraak van de rechtbank in Groningen van 1 februari onderuit haalt en minister Verdonk (Vreemdelingenzaken en Integratie) in het gelijk stelt.

Taïda is illegaal in Nederland en wil op haar oude school in Winterswijk haar examen halen. Op 18 januari werd ze van school gehaald en later overgebracht naar een uitzetcentrum. De rechters in Groningen meenden dat de detentie van het 18-jarige meisje een te zware maatregel was en onvoldoende onderbouwd.

Na bijna twee weken detentie mocht ze van de rechters in vrijheid de beslissing in haar uitzettingsprocedure afwachten. De rechtbank kende haar ook een schadevergoeding toe van 1000 euro.

Schadevergoeding

Verdonk stelde beroep in tegen de uitspraak. De Raad van State erkent nu dat de minister wel degelijk gegronde redenen had om te vermoeden dat Taïda zich zou willen onttrekken aan uitzetting. Dat is een reden voor vreemdelingenbewaring. De bewindsvrouw hoeft geen schadevergoeding te betalen.

De uitspraak betekent overigens niet dat Taïda op dit moment weer in detentie wordt genomen, omdat ze inmiddels een definitieve beschikking heeft gekregen in haar procedure. Daarin staat wel dat ze binnen 28 dagen Nederland moet verlaten.

Tip de redactie