Celstraf geëist tegen nalatige ambulancebroeder

AMSTERDAM - Het Openbaar Ministerie in Amsterdam heeft donderdag vijftien maanden cel, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, geëist tegen een 55-jarige ambulancebroeder. De verpleegkundige was in 2003 in Amstelveen betrokken bij de dood van een verwarde drugsverslaafde.

Ook wil justitie dat de man een verbod krijgt om ooit nog in de zorgsector werkzaam te zijn. De raadsvrouw van de verdachte eiste vrijspraak.

Overdosis

Op 19 augustus 2003 had S. D. verzuimd de 33-jarige verslaafde vanuit zijn woning naar een ziekenhuis te vervoeren. De verpleegkundige liet de man achter op een politiebureau, waar de man later overleed aan een overdosis cocaïne. De officier van justitie noemt dit "het opzettelijk achterlaten van een hulpbehoevende".

Kalmeren

De vader van het slachtoffer had op de bewuste dag de politie gebeld omdat zijn zoon na het gebruik van cocaïne een zware paniekaanval kreeg en de huisraad kort en klein sloeg. De gealarmeerde agenten kregen de zeer agressieve man niet in het gareel en ook het later gearriveerde personeel van ambulancedienst VZA lukte het niet de man te kalmeren. De man kreeg een injectie toegediend en medische hulp bleef nodig, aldus D.

De dienstdoende huisarts en de psychiatrische crisisdienst in Amstelveen wilden echter niet naar het huis van de man komen. Volgens D. mocht hij de man alleen naar een ziekenhuis brengen na een beoordeling door een arts. Wel zou een psychiater van de crisisdienst naar het politiebureau willen komen, waarop D. het slachtoffer daar naartoe bracht. In afwachting van een psychiater werd de man in een dagverblijf gelegd, waar hij later overleed.

Ziektebeeld

De verdediging weerspreekt dat er sprake is van opzet en noemt het handelen van D. "naar eer en geweten" en "met de beste intentie". Volgens advocaat C. Wildeman ging haar cliënt uit van een psychisch ziektebeeld en niet van een overdosis drugs. Met die diagnose zou de verpleegkundige juist hebben gehandeld. Op het moment dat D. het politiebureau verliet, was het slachtoffer stabiel en buiten levensgevaar, verklaarde de verdachte zelf.

De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) deed onderzoek naar het incident en keurde de handelswijze van de broeder af. Het IGZ sprak van "ernstige afwijking van de gebruikelijke standaard".

Regels

Op meerdere momenten handelde D. in strijd met de regels, oordeelde de inspectie. Zo nam D. geen contact op met de manager van de ambulancedienst voor overleg. Toch diende het IGZ geen klacht in bij het medisch tuchtcollege. Ook de dienstdoende huisarts had volgens de inspectiedienst fout gehandeld door niet langs te komen. De rechtbank doet uitspraak op 27 oktober.

Tip de redactie