DEN HAAG - Illegalen in Nederland maken zich in toenemende mate schuldig aan zogenoemde 'overlevingscriminaliteit'; kleine delicten, zoals diefstal, om in de eerste levensbehoeften te voorzien. Een meerderheid van de illegalen houdt zich niet bezig met zware criminele activiteiten.

Dat concluderen onderzoekers van de Erasmus Universiteit in Rotterdam en de universiteit van Utrecht en Leiden in een studie op basis van politiegegevens en gesprekken met 156 illegale vreemdelingen. Het ministerie van Justitie was de opdrachtgever.

Vaak diefstal

De politie hield tussen 1997 en 2000 ruim 53.000 illegalen aan. Ruim de helft overtrad de vreemdelingenwet of politieverordeningen. Iets meer dan eenderde had een delict gepleegd, vaak in de categorie diefstal. Het percentage illegalen dat is opgepakt voor zo'n licht delict, nam toe van 18,5 naar 28.

"Toename door strenger beleid"

Die toename vloeit volgens de onderzoekers voort uit het strengere vreemdelingenbeleid, waardoor het voor illegalen steeds moeilijker wordt om via werk aan inkomsten te komen. Vooral nieuwe migrantengroepen die niet kunnen terugvallen op gevestigde etnische gemeenschappen, nemen hun toevlucht tot kleine criminaliteit. Ruim de helft van opgepakte criminele illegalen is met succes het land uitgezet. Over het algemeen is de uitzetting nog steeds een probleem.

De onderzoekers rekenen naar eigen zeggen af met mythes rondom illegalen. Zo klopt volgens hen ook niet het beeld dat deze groep in Nederland snel groeit. Het aantal schommelt al jaren tussen de 112.000 en 163.000. Het gaat vooral om laagopgeleide mannen tussen de 20 en 40 jaar, die niet lang in Nederland verblijven. Achttien procent blijft langer dan vijf jaar; de rest vertrekt eerder. Eén op de tien geïnterviewde illegalen kwam met hulp van een smokkelaar naar Nederland. Bij uitgeprocedeerde asielzoekers is dat 80 procent.

Behalve in de grote steden zijn er relatief veel illegalen in Kennemerland en delen van Brabant en Limburg. De onderzoekers vermoeden dat dit te maken heeft met de beschikbaarheid van werk.