AMSTERDAM - De rechtbank in Amsterdam acht de 33-jarige hoofdagent W.S. niet strafbaar aan het doodschieten van een inbreker eind 2001. De agent handelde uit noodweer toen de inbreker hem in een nekgreep vasthield, oordeelde de rechtbank donderdag. Justitie pleitte tijdens de rechtszitting voor ontslag van rechtsvervolging voor de agent.

Bekijk video: Modem/ Breedband

Op 11 december 2001 achtervolgde S. samen met een collega twee inbrekers die hadden geprobeerd een herenkledingzaak te beroven op het Bijlmerplein in Amsterdam-Zuidoost. De agenten wisten de mannen, die op een scooter waren gevlucht, op de Arenaboulevard klem te rijden tegen een hek. De passagier van het voertuig rende weg en werd achtervolgd door de collega van de hoofdagent.

De bestuurder lag op het omgevallen hek met zijn been onder de scooter. Toen S. hem wilde arresteren, bood hij stevig verzet. Nadat het de man gelukt was te gaan staan, greep hij de agent vast bij zijn nek. S. raakte in paniek en voelde dat de man hem afkneep.

De hoofdagent pakte zijn pistool en schoot twee keer in de linkerzijde van de borst, waarop de man overleed. "Ik kon niet anders. Het was hij of ik", zei hij tijdens de zitting.

S. had geen ander wapen bij zich en de tijd ontbrak om een waarschuwingsschot af te vuren. "In een situatie waarin het er zó op aankomt, is schieten een geoorloofd middel", aldus de rechtbank. "Als het lichaam van de ander zo dichtbij is en er is een verwurgingssituatie, dan is er weinig keus."

De rechtbank vond wel de voorafgaande achtervolging te risicovol en te ver gaan. "Deze wijze van aanhouding is disproportioneel geweest, mede gelet op het feit dat de verdenking een poging tot inbraak in een winkelpand betrof." De agenten achtervolgden de ongehelmde jongens met hun politieauto over fietspaden en voetgangersgebieden en tal van mensen moesten opzij springen.

De rechtbank deed hiermee indirect een beroep op de politie duidelijke instructies uit te vaardigen voor achtervolgingen. Tijdens de rechtszitting verklaarde politiedeskundige J. Timmer van de Vrije Universiteit dat er voor dergelijke aanhoudingen geen instructies bestaan en dat politieagenten in dat soort situaties moeten improviseren.

De familie van het slachtoffer had een vordering ingediend voor een vergoeding van de kosten van de begrafenis en de juridische kosten. De rechter heeft deze vordering niet-ontvankelijk verklaard.