ARNHEM - De situatie in het zuiden van Irak waar het dodelijke schietincident plaatsvond waar marinier Eric O. voor terecht staat, was op die 27 december 2003 "extreem chaotisch". De sergeant-majoor had als opdracht die dag met zijn mannen een afgevallen container te bergen. Op de verbindingsweg waar dat was gebeurd, was het opvallend druk en er was sprake van een bovengemiddeld dreigingsbeeld. Dat zei R. Oppelaar, luitenant-kolonel der mariniers woensdag voor het gerechtshof in Arnhem.

Oppelaar was van november 2003 tot maart 2004 bataljonscommandant in Irak. De oplegger die O. met zijn Quick Reaction Force moest bergen, was in de ochtend van 27 december 2003 ook al inzet van een schietincident geweest, vertelde Oppelaar.

Waarschuwingsschoten

Het peloton dat toen terplekke was, was niet in staat de container te bergen, maar kreeg de situatie wel weer onder controle. Daarbij werden twee waarschuwingsschoten gelost.

Volgens Oppelaar waren schietincidenten aan de orde van de dag. In zijn periode dat hij in Irak is geweest, weet hij van 33 genoteerde schietincidenten. Die varieerden van het lossen van waarschuwingsschoten tot gericht schieten en het afvuren van Iraakse vreugdeschoten. Het gaat hierbij overigens om schietincidenten waarbij militairen van de coalitietroepen betrokken waren, dus niet alleen Nederlanders.

Zeer bekwaam

Oppelaar zei dat hij zich heel goed kon voorstellen dat Eric O. heeft gehandeld zoals hij heeft gehandeld. "Hij stak met kop en schouders boven de rest uit. O. heeft veel ervaring met uitzendingen en is zeer bekwaam. Als pelotonscommandant ter plekke was hij op dat moment eigenlijk de enige die de situatie naar behoren kon beoordelen."

Oppelaar gaf nog aan dat nergens staat gespecificeerd hoe een waarschuwingsschot gelost moet worden, maar wel dat het effect moet sorteren. "Het is situatie afhankelijk." Advocaat-generaal J. Wiarda zal woensdagmiddag in zijn requisitoir de strafeis van het Openbaar Ministerie formuleren.