AMSTERDAM - De rechtbank in Amsterdam heeft Henk B., een van de twee verdachten van de Van Gogh-roof in december 2002, veroordeeld tot het betalen van 50.000 euro aan de Staat. De rechtbank vond dat er voldoende bewijs is dat B. dit bedrag heeft overgehouden aan de verkoop van de twee gestolen schilderijen.

De andere verdachte, Octave D., hoeft niets te betalen. De rechtbank acht wel bewezen dat hij betrokken was bij de diefstal, maar kan niet vaststellen hoeveel geld hij aan de roof heeft overgehouden.

In een zogeheten ontnemingsvordering had het Openbaar Ministerie in Amsterdam 100.000 euro geëist van B. en 170.000 euro van D. Tegen D. eiste het OM een hoger bedrag in verband met enkele andere inbraken. De 32-jarige mannen hebben altijd ontkend iets met de kunstroof te maken te hebben. De rechtbank legde D. en B. vorig jaar celstraffen op van respectievelijk viereneenhalf en vier jaar cel. Er loopt nog een hoger beroep tegen dit vonnis.

De advocaat van beide mannen, J. Piena, gaat in hoger beroep tegen de vordering voor B., liet hij donderdag weten. De raadsman had het logischer gevonden dat de rechtbank het bedrag van 50.000 euro in tweeën had verdeeld, aangezien zowel D. als B. volgens de rechtbank aan de kunstroof deelnamen.

De rechter ziet in een serie afgeluisterde telefoongesprekken voldoende bewijs dat B. heeft verdiend aan de diefstal van Zeezicht bij Scheveningen (1882) en Het uitgaan van de Hervormde Kerk te Nuenen (1884) uit het Van Gogh Museum in Amsterdam. In de telefoontjes wordt gesproken over "50.000 gulden en vijftig ruggen" die B. zou krijgen.

Daarbij heeft de rechtbank gekeken naar een extreem uitgavenpatroon van B., die een paar maanden na de roof reisjes maakte naar onder meer Thailand, Eurodisney, Ibiza en de Dominicaanse Republiek. Van D. waren veel minder telefoontaps waarbij hij over grote geldbedragen sprak.