RIJSWIJK - Over de achtergrond van verdachten moet meer openheid komen. Dat zegt directeur H. Fermina van het Landelijk bureau ter Bestrijding van Rassendiscriminatie (LBR) woensdag in een interview met het Algemeen Dagblad. Volgens hem werkt het verzwijgen van de etnische afkomst vaak juist averechts.

Als voorbeeld noemt hij het incident, vorige maand in Amsterdam, waarbij een automobiliste een Marokkaanse verdachte van een tasjesroof doodreed. Als eerder bekend was geworden dat de 43-jarige vrouw van Surinaamse afkomst is, waren de spanningen misschien minder hoog opgelopen, denkt de directeur van het LBR. Veel mensen dachten dat er een autochtone vrouw achter het stuur zat.

"In het buitenland -ja, ook op de Antillen, in Marokko en Turkije- wordt met naam en toenaam over verdachten geschreven. Na de moord op Fortuyn zijn problemen voorkomen door niet geheimzinnig te doen over Volkert van der G.", aldus Fermina, zelf Antilliaan.

Hij is niet bang voor stigmatisering. Vooroordelen krijg je volgens hem juist door zaken te verzwijgen. Maar ik hoop dan wel dat bij alle positieve dingen ook de afkomst wordt vermeld, zegt Fermina. "We komen terecht in een wij-zij-situatie. Die begon al voor 11 september 2001 en voor Pim Fortuyn. We moeten die verharding aanpakken", zegt de directeur in het interview.

Het Openbaar Ministerie (OM) beperkt zich bij voorlichting over strafzaken tot vermelding van leeftijd, geslacht en woonplaats van een verdachte. Etnische afkomst blijft onvermeld. "Voor het OM is een Nederlander een Nederlander", aldus L. de Lange, woordvoerder van het college van procureurs-generaal.

Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen wordt van de geldende beleidsregel afgeweken, zegt R. Meulenbroek, woordvoerder van het OM in Amsterdam. Als voorbeeld noemt hij de zaken Volkert van der G., de moordenaar van Pim Fortuyn, en Mohammed B., verdacht van de moord op Theo van Gogh.