RAMALLAH - Hij werd door de Israëlische premier Ariel Sharon 'irrelevant' verklaard. De Amerikaanse president George Bush riep de Palestijnen op een nieuwe leider te kiezen. Maar Yasser Arafat wist deze krachten te weerstaan en bleef voor de meeste Palestijnen hét symbool van de strijd voor een onafhankelijk Palestina.

Arafat veranderde in zijn leven van guerrillastrijder in vredesduif. Maar net zo gemakkelijk werd hij weer de onverbiddelijke vechter toen Israël onder Likud van hem af wilde. Want als hij ergens moeite mee had, dan was het wel het afstaan van macht. Dat merkte ook zijn tweede man Mahmoud Abbas toen die vorig jaar na zware internationale druk tot eerste premier van de Palestijnse Autoriteit werd benoemd. Abbas' kabinet kwam na veel hangen en wurgen tot stand. Maar Arafat wilde zijn macht over de veiligheidsdiensten niet opgeven. De premier gooide uiteindelijk de handdoek in de ring.

Populair

Toch bleef Arafat onder de Palestijnen de populairste politicus ondanks de corruptie en zijn eigengereid optreden. Hij werd in 1996 met ruim 80 procent van de stemmen tot president gekozen. Dit percentage daalde in de loop van de jaren flink, maar Israëls beleid om hem 'irrelevant' te maken dreef zijn populariteit weer omhoog.

Aan het eind van zijn carrière vloog hij niet meer als een gerespecteerd staatsman de wereld rond. Op het Witte Huis was hij al lang niet meer te gast geweest. Hij zat sinds eind 2001 vast in zijn door het Israëlische leger verwoeste hoofdkwartier in Ramallah.

Symbool

Dat zijn rol beperkt was, kon Arafat maar niet accepteren. Hij zette de Palestijnse strijd op de agenda van de wereldgemeenschap. Arafat was met zijn hoofddoek en olijfgroene uniform het vleesgeworden symbool van het conflict. En hij wist het beeld te cultiveren. Met olijftak en pistoolholster trok hij in 1974 naar de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.

Mohammed Abdel Raouf Arafat al-Qudwa al-Husseini werd op 24 augustus 1929 in Caïro geboren als zesde van zeven kinderen. Zijn vader was een handelaar uit Gaza. Zijn moeder maakte deel uit van de beroemde Husseini-clan uit Jeruzalem. In deze stad keerde hij terug na de dood van zijn moeder.

Als tiener smokkelde hij wapens voor groeperingen die streden tegen de zionistische beweging en in 1948 vocht Arafat actief mee in de oorlog tussen Israël en zijn buurlanden. Na de Arabische nederlaag vluchtte hij naar de Egyptische hoofdstad.

Bouwkunde

Na een studie bouwkunde vestigde hij zich halverwege de jaren vijftig in Koeweit. Hier verdiende hij naar eigen zeggen veel geld met zijn bouwbedrijf. In dit golfstaatje richtte hij in 1959 samen met andere Palestijnse vluchtelingen al-Fatah op. Zes jaar later voerde ze haar eerste gewapende actie tegen Israël uit. De juni-oorlog van 1967 liep uit op een drama voor de Arabische landen. Dat maakte voor de Palestijnen duidelijk dat zij niet langer op deze landen konden rekenen om hun probleem op te lossen. Arafat profiteerde van deze ontwikkeling en werd in 1969 tot voorzitter van de overkoepelende Palestijnse Bevrijdings Organisatie (PLO) gekozen. Vanaf dat moment vormde Arafat hét gezicht van de Palestijnse strijd voor een onafhankelijke staat. Sinds de oprichting van al-Fatah verbleef hij afwisselend in Amman en Beiroet. In 1970 werden de Palestijnse groeperingen uit Jordanië verdreven en werd Libanon het nieuwe bolwerk van de PLO.

Macht en aanzien

In de volgende jaren groeiden macht en aanzien van Arafat. Arabische regeringsleiders konden hun schuldgevoelens afkopen door oliemiljoenen te storten op de rekening van de PLO. Die beweging werd verder door de Arabische Liga als enige vertegenwoordiger van de Palestijnen erkend en kreeg bovendien de status van waarnemer bij de Verenigde Naties.

Arafat reisde de wereld rond en werd ontvangen met saluutschoten en rode lopers. Maar in Libanon raakte hij meer en meer verstrikt in de burgeroorlog. Voor de PLO kwam de Israëlische inval in juni 1982 als een verrassing. Opnieuw moest Arafat het veld ruimen. Ditmaal trok hij naar Tunis.

Gewapende strijd

De gewapende strijd leek verloren, vooral ook nadat Syrië de resten van Arafats aanhang uit Libanon had verdreven. Het duurde tot 1988 voor hij een andere weg insloeg. In dat jaar liet hij in Genève weten het terrorisme af te zweren en het bestaan van de staat Israël te erkennen. Hierdoor gingen de deuren in Washington voor hem open.

Intifada

Het moment was bovendien opportuun door de Palestijnse opstand, de intifada. In de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever gooide de bevolking met stenen naar de Israëlische bezetter. Israël reageerde keihard. De kritiek op Israëls optreden groeide en de Palestijnse kwestie kwam opnieuw hoog op de agende de staan.

Arafats nieuwe strategie liep tijdens de Golfoorlog een flinke deuk op. Hij steunde de Iraakse president Saddam Hussein in zijn bezetting van Koeweit. Palestijnen waren daarna niet meer welkom in de Golfregio en de geldkraan naar de PLO werd dichtgedraaid.

Onderhandelingen

Het vredesproces kreeg na deze oorlog een impuls waar Arafat van profiteerde. In Madrid zaten delegaties van Israël en de Palestijnen voor het eerst tegenover elkaar. Het overleg kreeg het jaar daarop nog een steun in de rug door de overwinning van Yitzhak Rabin van de Arbeidspartij bij de Israëlische verkiezingen. In de Noorse hoofdstad begonnen geheime onderhandelingen.

Akkoord

Dat leidde in 1993 tot de akkoorden van Oslo en de historische handdruk tussen Rabin en Arafat op het gazon van het Witte Huis in Washington. Een jaar later maakte de PLO-leider een triomfantelijke intocht in de bezette gebieden. Als slotakkoord deelde hij de Nobelprijs voor de Vrede met Rabin en Peres. Een oplossing van het al ruim veertig jaar durend conflict leek nabij.

In 1996 werd de PLO-leider met meer dan 80 procent van de stemmen gekozen tot president van de Palestijnse Autoriteit. Maar door zijn autoritaire manier van besturen en de corruptie onder zijn medewerkers nam zijn populariteit snel af. Het vredesproces raakte in het slop. Gewelddadige islamitische bewegingen zoals Hamas wonnen aan aanhang.

Mislukte vrede

Een ultieme poging om vrede te sluiten in juli 2000 mislukte. In het Amerikaanse presidentiële buitenverblijf Camp David werden vergaande concessies gedaan door de toenmalige Israëlische premier Barak. Maar de top stond onder druk en was volgens sommigen slecht voorbereid. Ruim een maand later brak de tweede intifada uit, die een einde maakte aan de hoop op vrede. In de cyclus van geweld die daarna losbarstte, groeiden groepen als Hamas en Islamitische Jihad. Palestijnse aanslagen en Israëlische vergeldingsacties zijn intussen bijna dagelijkse praktijk. De nieuwe Israëlische premier Sharon zag in zijn eeuwige rivaal Arafat de kwade genius van dit en deed alles om van hem af te komen.

Ramallah

Arafats regeringscentrum in Ramallah werd grotendeels vernietigd en zijn bewegingsvrijheid werd ernstig beperkt. Omdat dit niet voldoende bleek te werken, verklaarde Sharon Arafat 'irrelevant'. Maar de maatregelen werkten contraproductief. Het Palestijnse volk schaarde zich rond zijn in het nauw gedreven leider.

Het meest recente gevecht om de macht moest Arafat niet aangaan met Sharon, maar met de Palestijnse premier. Mahmoud Abbas verloor die strijd en ook zijn opvolger Ahmed Qurei lukte het niet om de macht van Arafat te breken. De weerstand onder de Palestijnen tegen de president groeide doordat hij zich bleef vastklampen aan de macht.

Israël nam intussen het principebesluit om Arafat te verdrijven. Washington hield dit echter steeds tegen. Wat restte was een fragiele, aan Parkinson lijdende Arafat die vocht voor zijn politieke overleven.