WASHINGTON - Door de nek-aan-nek-race tussen John Kerry en president Bush voor het Amerikaanse presidentschap komt welhaast automatisch het systeem van de kiesmannen weer in de belangstelling te staan. Het zijn deze personen, verenigd in het Electoral College, die formeel de president en vice-president van de Verenigde Staten aanwijzen.

Het kiescollege komt voort uit een compromisoplossing, toen in 1787 de grondwet werd opgesteld. Een deel van de afgevaardigden die dat jaar in Philadelphia bijeenkwamen, had weinig vertrouwen in het vermogen van de burgers de geschikte kandidaat te kiezen. Ze gaven de voorkeur aan een sterke wetgevende macht die dan ook maar de uitvoerende macht (president) moest kiezen. Een tweede stroming wilde daarentegen dat het kiesgerechtigde deel van de bevolking direct een president zou kiezen.

Bezwaren

Dat tweede voorstel stuitte op bezwaren van de kleinere deelstaten die vreesden dat de staten met veel inwoners een onevenredig grote invloed zouden krijgen. Na lang debatteren kwam er een compromisvoorstel op tafel: het college van kiesmannen dat, zij het in licht gewijzigde vorm, tot de dag van vandaag bestaat.

Staten

Om te voorkomen dat grote staten te veel invloed kunnen uitoefenen besloten de opstellers van de grondwet dat de sterkteverdeling in het Electoral College plaats zou vinden op basis van de vertegenwoordiging in het Congres. Kleine staten hebben in het Huis van Afgevaardigden door hun geringe bevolkingsomvang minder in te brengen dan de grote staten met veel inwoners. In de Senaat word dit echter rechtgetrokken door elke staat twee vertegenwoordigers te geven ongeacht de bevolkingsomvang. Kleine staten hebben daardoor in dat orgaan een relatief zware inbreng.

Kiesmannen

Het aantal kiesmannen dat een staat heeft, is gelijk aan het aantal senatoren en het aantal leden in het Huis van Afgevaardigden van die staat. Het minimum aantal kiesmannen dat een staat heeft bedraagt dus drie. Daar het Huis van Afgevaardigden 435 leden telt, de Senaat honderd en Washington D.C., dat in geen enkele staat ligt, drie eigen kiesmannen kreeg, telt het Electoral College 538 kiesmannen.

Partijvoorkeur

Stemgerechtigden in de deelstaten brengen bij presidentsverkiezingen formeel gesproken een stem uit op een lijstverbintenis van kiesmannen die dezelfde partijvoorkeur hebben. De lijst of 'slate' die de meeste stemmen krijgt, sleept volgens het 'winner-takes-all' principe alle plaatsen van die staat in het Electoral College in de wacht. Nebraska en Maine zijn uitzonderingen. De winnaar in de hele staat krijgt een kiesman.

Daarnaast krijgen kandidaten de kiesmannen uit de congressionele kiesdistricten waar zij de meeste stemmen hebben gekregen. De president wordt formeel gezien in december door de kiesmannen gekozen. In het geval dat geen van de kandidaten een absolute meerderheid van de stemmen van het kiescollege krijgt (minimaal 270) zal het Huis van Afgevaardigden de president kiezen uit de drie kandidaten met de meeste stemmen.

Elke staat heeft daarbij een stem. Voor de verkiezing van de vice-president gelden iets andere regels. Bij onduidelijkheid kiest de Senaat uit de twee kandidaten met de meeste kiesmannen achter zich.

Kandidaten

In tegenstelling tot wat de opstellers van de grondwet dachten, is het slechts zelden voorgekomen dat geen van de kandidaten in de presidentsverkiezingen een meederheid van de kiesmannen achter zich kreeg. Alleen in 1800 en 1824 eindigde de verkiezing onbeslist en moest het Huis van Afgevaardigden eraan te pas komen om een nieuwe president aan te wijzen.

Tweepartijenstelsel

Reden daarvoor is dat het Amerikaans politieke stelsel zich al ras na de onafhankelijkheid tot een tweestromenland en vervolgens een tweepartijenstelsel ontwikkelde. Machtige derde kandidaten die kiesmannen binnensleepten en daardoor een absolute meerderheid voor een van de andere kandidaten onmogelijk maakten, stonden niet bij bosjes klaar.

Nu Bush en Kerry zo dicht bij elkaar liggen doemt er nog een vreemd scenario op in het land dat zich de beste democratie ter wereld noemt. Het is mogelijk dat net als vier jaar geleden de kandidaat die nationaal de meeste stemmen heeft gekregen toch geen president wordt, omdat hij geen meerderheid van de kiesmannen heeft verzameld.

Verschil

Dit gebeurde in de negentiende eeuw twee keer. In 1876 versloeg Rutherford B. Hayes (47,9 procent van de stemmen) zijn opponent Samuel Tilden (51 procent) met een kiesman verschil. Twaalf jaar later won Benjamin Harrison de verkiezingen op kiesmannen, hoewel hij ruim 90.000 stemmen minder had gekregen dan zijn opponent, de zittende president Grover Cleveland. Het verschil tussen de huidige president Bush en zijn tegenstander van vier jaar geleden, Al Gore, bedroeg zelfs ruim 500.000 stemmen.

Het 'winner-takes-all-systeem' dat tegenwoordig in 48 van de 50 staten wordt gehanteerd, is hiervoor verantwoordelijk. Een ruime overwinning in een staat levert hetzelfde aantal kiesmannen op als bij een minieme overwinning. Veel stemmen gaan dus 'verloren' voor de kandidaat die ruime overwinningen boekt.