DEN HAAG - Voor het Joegoslavië-Tribunaal is woensdagochtend het proces begonnen tegen de Bosnische moslim Naser Oric (37). Die was van 1992 tot 1995 de militaire commandant van de omsingelde moslims in de enclave Srebrenica, waar velen hem als held beschouwden.

In zijn openingspleidooi omschreef de Nederlandse VN-aanklager Jan Wubben Oric als een 'krijgsheer' die het internationale oorlogsrecht aan zijn laars lapte om de inwoners van de omliggende Servische dorpen te verdrijven. De Servische huizen werden geplunderd en verbrand om te voorkomen dat zij ooit terug zouden komen.

Servische mannen, vrouwen en kinderen werden meegenomen naar het politiebureau van Srebrenica, waar moslimagenten martelden en moordden, aldus Wubben. Hij beschreef het getuigenis van een 12-jarig Bosnisch-Servisch meisje dat aan moest horen hoe haar grootvader in een belendende cel werd gemarteld. Zij hoorde hoe haar opa kreunde van de pijn, vertelde zij de onderzoekers van het tribunaal.

Martelen

Servische mannen die in Srebrenica werden gemarteld, vertelden de onderzoekers hoe alles onder het bloed zat: hun kleren, de grond, de muren van de cel. Zeker zeven Serviërs overleefden de mishandelingen niet. Oric, die de gevangenis geregeld "met plezier" (Wubben) bezocht, is dan ook aangeklaagd voor moord.

Door de mishandelingen raakten de gevangen Serviërs geregeld bewusteloos. Wubben haalde ook het "gedwongen trekken van tanden" aan, waarvan een Servische man het slachtoffer werd. Volgens de tenlastelegging werd daarvoor een roestige tang gebruikt.