Ibrahim Rugova wilde Slobodan Milosevic niet ontmoeten op 1 april 1999, tijdens de heetste fase van de Kosovo-crisis en de NAVO-bombardementen op Joegoslavië. Dit verklaarde de gematigde leider van de Kosovo-Albanezen vrijdag voor het Joegoslavië-Tribunaal als getuige in het proces tegen de ex-president.

De foto van een glimlachende Rugova op visite bij Milosevic ging de wereld rond, terwijl honderdduizenden Kosovaren werden verdreven en tal van etnische Albanezen om het leven kwamen door het geweld van de Servische politie en het Joegoslavische leger. Het optreden in het paleis van Milosevic was slecht voor Rugova's reputatie: veel Albanezen zagen hem vanaf dat moment als verrader.

Rugova vertelde de VN-rechters in Den Haag vrijdag dat gewapende soldaten en agenten eind maart 1999 met geweld zijn huis binnendrongen. "Wij waren bang voor wat er zou gebeuren", aldus Rugova, die tegen de Serviërs zei dat hij naar Macedonië wilde vertrekken. Daarvoor kreeg hij geen toestemming.

De chef van de Servische staatsveiligheidsdienst in de Kosovo-hoofdstad Pristina drong bij Rugova erop aan dat hij naar Belgrado zou gaan. Rugova stribbelde tegen, maar de Serviërs bleven aandringen. Rugova was bang voor consequenties en andere stappen, die hij vrijdag niet nader toelichtte.

Rugova had de verzekering gekregen dat de ontmoeting met Milosevic 'vertrouwelijk' zou blijven, maar uiteindelijk drong de president erop aan die publiek te maken.

/DOSSIERMilosevic