Asielvergunning PKK-kopstuk terecht geweigerd

DEN HAAG - De minister van Vreemdelingenzaken en Integratie heeft de asielvergunning van PKK-kopstuk Nuriye Kesbir terecht geweigerd. Tot deze conclusie komt de Raad van State vrijdag na de zaak opnieuw onderzocht te hebben. Het Raad van State volgt hiermee grotendeels het oordeel van de rechtbank in Amsterdam eerder dit jaar.

Volgens de Raad van State heeft de minister terecht geoordeeld dat Kesbir "kennis had en persoonlijk heeft deelgenomen aan oorlogsmisdrijven die door de PKK in Zuid-Oost Turkije zijn gepleegd''. Met de uitspraak is uitlevering van Kesbir aan Turkije een stap dichterbij gekomen. De Hoge Raad bepaalde begin mei dat de vrouw mag worden uitgezet. Het is nu aan minister Donner van Justitie of dat ook gebeurt.

De minister wees het asielverzoek begin 2002 af, omdat Kesbir een zogeheten 1F-vluchteling zou zijn. Dat betekent dat ze ervan wordt verdacht te hebben meegewerkt aan oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid. De Turkse autoriteiten verdenken haar ervan dat ze tussen 1993 en 1995 betrokken was bij een campagne van de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) om door de overheid aangestelde dorpswachters te liquideren en willen haar daarvoor berechten. Kesbir spreekt de beschuldigingen tegen.

'Teleurstellend'

Advcoaat V. Koppe noemt de uitspraak teleurstellend. "Het is nu aan Donner om te beslissen of mijn cliënt wel of niet wordt uitgezet.'' Mocht dat besluit in het nadeel van Kesbir uitvallen, heeft Koppe nog een laatste mogelijkheid om dat tegen te gaan en wel via een kort geding. Dat instrument zal Koppe zeker gebruiken.

Maar hij benadrukt tegelijkertijd dat het niet zo zeker is dat Donner tot uitlevering overgaat. Koppe: "Mensenrechtenorganisaties Human Rights Watch en Amnesty International hebben hun zorgen uitgesproken.'' Ook de Verenigde Naties hebben Nederland geadviseerd Kesbir niet aan Turkije uit te leveren, als het land geen keiharde garanties geeft voor haar veiligheid.

Tip de redactie