DEN HAAG - Het Openbaar Ministerie (OM) verwijt drie leden van de Haagse rapgroep DHC dat zij Tweede Kamerlid Hirsi Ali (VVD) belemmeren in het uitoefenen van haar taak. Een woordvoerder zei maandag dat het OM gebruik maakt van artikel 121 uit het Wetboek van Strafrecht, dat speciaal in het leven is geroepen voor geweld tegen en bedreiging van leden van de Staten-Generaal.

DHC (Den Haag Connection) kwam vorige week in het nieuws door een uitzending van het tv-programma NOVA. Dat ging deels over het rapnummer 'Hirsi Ali Diss', waarin de VVD-parlementariër wordt bedreigd, uitgescholden en gekleineerd. DHC heeft onder meer geschreven dat een liquidatie van en bomaanslag op Hirsi Ali in voorbereiding zijn en dat ze haar nek willen breken.

Het OM is van mening dat artikel 121 van toepassing is op deze zaak, meldde de zegsman. In de tekst staat onder meer dat maximaal een levenslange gevangenisstraf kan worden opgelegd aan iemand die "een vergadering van een of beide kamers der Staten-Generaal uiteenjaagt." Levenslang of een tijdelijke straf kan de rechter ook geven aan een iemand die een lid van Eerste of Tweede Kamer dwingt om een besluit (niet) te nemen, of die een Kamerlid "verhindert vrij en onbelemmerd zijn plicht te vervullen".