GRONINGEN - Zeer ernstig verbrande patiënten hebben een veel grotere overlevingskans wanneer hun brandwonden binnen 24 uur na het ongeluk worden verwijderd. Door te kiezen voor deze radicale aanpak, overleeft ruim 60 procent van de patiënten van wie het lichaam voor meer dan 90 procent is verbrand. Met de traditionele methoden overleeft ongeveer 10 procent het ongeluk.

Dat stelt de Groningse chirurg drs. J. Barret Neriín in het proefschrift waarop hij in april aan de Rijksuniversiteit promoveert.

Volgens de onderzoeker blijkt de tot nu toe nog weinig toegepaste behandeling van zeer ernstige brandwonden niet alleen veel grotere overlevingskansen te bieden, maar is deze ook veel veiliger. Er treden minder complicaties bij op.

In brandwondencentra wereldwijd wordt op de wonden eerst anti-microbiële zalf gesmeerd om pas enige dagen later te beginnen met het operatief verwijderen van de diepere brandwonden.

Radicale methode

Volgens plastisch chirurg Barret Nerín zijn artsen nog terughoudend ten aanzien van de radicale methode omdat ze erg intensief is en bovendien een zeer ervaren artsenteam vergt. Ook is altijd gedacht dat de kans op complicaties groter zou zijn dan bij de traditionele behandeling, omdat de operaties gepaard gaan met veel bloedverlies.

Maar in het onderzoek dat de promovendus bij jonge kinderen verrichtte, ontdekte hij dat de overlevingskans veel groter wordt met een directe operatieve verwijdering van alle brandwonden en een daaropvolgende behandeling met vele lagen donorhuid.

Complicaties

Bij de patiëntjes die een traditionele behandeling met wondzalf ondergingen, traden er veel vaker complicaties op zoals levensbedreigende infecties en verhevigde ontstekingsreacties in het lichaam. Ook werden bij hen de huidtransplantaten vaker afgestoten.

Zelfs patiënten die over hun gehele lichaam verbrand zijn, hebben met de operatieve verwijdering van alle brandwonden nog een overlevingskans van 50 procent. Eén van de nadelen die nog aan de radicale behandelmethode kleeft, is dat er bij de operatie ook weefsel wordt weggenomen dat nog levensvatbaar zou kunnen zijn.

Klinisch toepasbare technieken die de vitaliteit van weefsel kunnen beoordelen, bestaan nog niet, maar zijn onmisbaar voor een nog beter resultaat.