RIJSWIJK - De zogeheten geuridentificatieproef met een politiehond heeft veel weg van een Russische roulette. Een verdachte die in een dergelijke proef door een hond als dader wordt aangewezen, moet tijdig een reële mogelijkheid geboden krijgen een tegenonderzoek te laten uitvoeren. Veel strafrechtadvocaten zijn onvoldoende van deze noodzaak doordrongen.

Dat stellen psychofysicus J. Frijters en strafpleiter J. Boksem in het Nederlands Jusristenblad. Zij plaatsen grote vraagtekens bij de betrouwbaarheid van deze al eerder in opspraak geraakt identificatiemethode. “Aan een geuridentificatieproef met een hond zitten vele haken en ogen”, schrijven zij. “De methode lijkt eenvoudig, maar is bij nadere beschouwing buitengewoon gecompliceerd.”