LEIDEN - Zestig procent van de jonge zedendelinquenten pleegt na behandeling opnieuw een misdrijf. In 10 procent van de gevallen gaat het daarbij weer om een seksueel delict, in de overige gevallen gaat het om een andersoortig misdrijf.

Dit schrijven de onderzoekers C. Bijleveld en Jan Hendriks in het vrijdag verschenen rapport Recidive van jeugdige zedendelinquenten. De onderzoekers namen de recidive onder de loep van 114 jongens die tussen 1988 en 2001 na behandeling de justitiële jeugdinrichting Harreveld in Gelderland verlieten.

Gebleken is dat 90 procent van de zedenrecidivisten binnen drie jaar na behandeling opnieuw een delict pleegt. De onderzochte delinquenten waren ten tijde van het plegen van het misdrijf tussen de zeven en negentien jaar oud.

Leeftijdgenoten

Bijleveld en Hendriks onderscheiden twee groepen zedendelinquenten: de obsessieven en de opportunisten. De obsessieven kiezen veelal een jonger kind als slachtoffer (gemiddelde leeftijd bijna acht jaar). De opportunisten vergrijpen zich overwegend aan leeftijdgenoten (gemiddelde leeftijd zestien jaar).

Alleen de obsessieven plegen opnieuw een zedendelict. Het gaat veelal om sociaal geïsoleerde, onzekere, autochtone pubers. De opportunisten zijn machotypes met antisociale trekken. Eenderde van hen is allochtoon. Zij plegen niet nogmaals een zedendelict, maar misdrijven als diefstal, inbraak of mishandeling.

Jongens die een (zeer) jong meisje misbruikten buiten hun familie, lopen de grootste kans in herhaling te vallen. De onderzoekers pleiten ervoor deze groep nog intensiever te behandelen tijdens hun verblijf in de jeugdinrichting en hen na ontslag daaruit langdurig intensief te begeleiden.