DEN HAAG - Het onderzoeksinstituut TNO schat dat 5 tot 8 procent van de Nederlandse piloten en ander vliegend personeel geregeld alcohol gebruikt, en 0,3 tot 1,3 procent 'party drugs' zoals ecstacy en cocaïne. Staatssecretaris Schultz van Haegen van Verkeer en Waterstaat pleit daarom voor extra preventieve maatregelen op basis van vrijwillige afspraken met de luchtvaartsector.

In een brief aan de Tweede Kamer deed Schultz donderdag de resultaten uit de doeken van een TNO-onderzoek dat het ministerie in 2001 had beloofd. TNO stelt dat de maatschappelijke acceptatie van drank- en drugsgebruik is gestegen en komt op grond daarvan tot de schattingen.

Depressiva

Een aanzienlijk aantal vliegers gebruikt ook voorgeschreven of zelf aangeschafte medicatie die volgens luchtvaartregels niet toegestaan zijn. Vooral het gebruik van anti-depressiva vormt een potentieel gevaar voor de veiligheid.

Volgens de onderzoekers is er vanwege het groeiende risico voor de veiligheid en voor de bekwaamheid van het vliegend personeel reden voor preventieve maatregelen. Controles vinden zij minder effectief dan bewustwording en voorlichting. Daarbij speelt mee dat weinig bekend is over de werkingsperiode en beïnvloeding van het reactievermogen van party drugs en medicijnen.

Promille

Er zijn ook geen Europese regels voor, behalve een wettelijke norm van 0,2 promille voor alcohol. In de Verenigde Staten wordt veel overgelaten aan luchtvaartmaatschappijen zelf. Schultz' standpunt is voor verdovende middelen bij voorkeur internationale maatregelen te nemen binnen de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie ICAO, zoals een standaard voor een preventieprogramma. Tijdens het Nederlandse EU-voorzitterschap per juli zal Nederland zich daarvoor inzetten.

Daarnaast ziet de staatssecretaris meer in eigen verantwoordelijkheid van de sector en wil zij alleen regels te stellen waar dat noodzakelijk is voor de veiligheid. In februari is met de betrokken luchtvaartmaatschappijen afgesproken dat zij voor de zomer inventariseren wat zij al aan preventie doen en dat zij verder met voorstellen komen voor preventiemaatregelen. Eenmaal van kracht zullen die na drie jaar worden doorgelicht.