DEN HAAG - Het is voor incestslachtoffers veel te ingewikkeld om hun achternaam te veranderen. De procedures hiervoor zijn onnodig "belastend en tijdrovend voor het slachtoffer". Dit wordt geconcludeerd in een onderzoek dat het Clara Wichmann Instituut en Slachtofferhulp Nederland hebben laten doen door de Universtiteit Utrecht. De resultaten zijn maandag gepresenteerd.

Slachtoffers van incest blijken, als zij volwassen zijn, vaak hun achternaam te willen wijzigen. In veel gevallen is de vader namelijk de pleger van de incest en willen slachtoffers niet langer zijn naam dragen.

De procedure van het ministerie van Justitie, die de slachtoffers vervolgens moeten beginnen, is onnodig ingewikkeld. Naar schatting dienen jaarlijks ongeveer honderd mensen een verzoek in om hun naam te wijzigen omdat zij het slachtoffer zijn geweest van incest.

De procedure duurt gemiddeld een jaar, met uitschieters naar vier jaar, zo blijkt uit het onderzoek. Dat moet korter kunnen, zo staat te lezen in het rapport 'Geslachtsnaamwijziging na Incest'.

Justitie ziet degene aan wie het slachtoffer de achternaam ontleent, doorgaans de vader dus, ten onrechte als belanghebbende. In die hoedanigheid wordt hij ook door Justitie gehoord en kan hij vervolgens bezwaar aantekenen. De onderzoekers stellen echter dat daar helemaal geen wettelijke noodzaak voor bestaat.

Ook komt het voor dat Justitie een procedure volgt die voor hele andere situaties is bedoeld. Bijvoorbeeld om de achternaam van kinderen om te zetten in die van de andere ouder. Hiervoor moet de gemeente worden ingeschakeld, iets wat bij incestslachtoffers echter niet hoeft.

Advies van de onderzoekers: doorloop de juiste procedure en zie de dader van de incest niet als belanghebbende.