AMSTERDAM - Nederland is niet langer het land met het laagste abortuscijfer (het aantal vrouwen dat hun zwangerschap laat afbreken). Die positie is overgenomen door België en Duitsland. Dat blijkt uit het onderzoek Abortus in Nederland 1993-2000, dat donderdag is verschenen.

Terwijl het aantal abortusbehandelingen de afgelopen tien jaar in de omringende landen daalde, is het in Nederland juist gestegen. Die stijging schrijven de onderzoekers toe aan de komst van allochtone tieners en vrouwen, een zogenoemde risicogroep.

Begin jaren negentig was vier op de tien abortuscliënten van allochtone afkomst, in 2000 is dat de gestegen tot zes op de tien. Vooral onder Antilliaanse vrouwen is het aantal abortusbehandelingen hoog.

Volgens het rapport, samengesteld door de koepel van abortusklinieken Stisam, zijn er in 2000 in Nederland 33.345 onderbrekingen van zwangerschap verricht. In vier van de vijf gevallen ging het om in Nederland wonende vrouwen. In 1992 waren dat er 29.632, van wie tweederde in Nederland woonde.

Er komen minder vrouwen uit Duitsland en België naar Nederland, omdat de wetgeving in die landen is geliberaliseerd en omdat de hulpverlening is verbeterd.

In Nederland is in 2000 bij acht van de duizend vrouwen in de vruchtbare leeftijd de zwangerschap afgebroken. Tien jaar geleden was die verhouding 5,2 op de duizend. België heeft een verhoudingscijfer van 5,7, gevolgd door Duitsland met 7,7. Veel westerse landen kennen een abortuscijfer dat veel hoger is: Verenigde Staten 22,9, Engeland en Wales 15,8 en Zweden 18,7.