DEN HELDER - De Koninklijke Marine is in de nacht van dinsdag op woensdag begonnen met het opsporen van de 63 vaten met arseenpentoxide die tijdens de storm op 21 december in de Noordzee terecht zijn gekomen. Dat heeft Rijkswaterstaat woensdag meegedeeld.

Momenteel speurt alleen de mijnenjager de H.M. Maassluis naar de vermiste vaten. In totaal worden drie mijnenjagers en een hydrografisch opnemingsvaartuig ingezet. De H.M. Maassluis was reeds vrij, waardoor die al kon worden ingezet, aldus een woordvoerder van de marine. De twee andere mijnenjagers en het hydrografische vaartuig worden op dit moment nog vrijgemaakt.

De sonar van de mijnenjagers heeft een bereik van 250 meter en kan bij hoge golfhoogten werken. Het hydrografische vaartuig heeft een specifiekere sonar die sneller opnames van de bodem kan maken, aldus de woordvoerder. "Daardoor is het gebruik van dit vaartuig praktischer."

De marine speurt de route waarop het containerschip Andinet de vaten heeft verloren systematisch af. Het beginpunt ligt op zo'n 30 mijl boven Texel, het eindpunt 100 mijl verder naar het noordoosten. De ontdekkingen die de hydrograaf doet, worden doorgegeven. Daarna stelt een mijnenjager met videocamera en schijnwerper vast waar het om gaat. Gifvaten worden met een boei gemarkeerd.

Weer minder goed

Volgens de woordvoerder gaat de marine geen vaten bergen. "Daar hebben wij de mensen niet voor. De gifvaten zullen niet snel wegdrijven." Wie de gifvaten wel omhoog gaat halen, kon Rijkswaterstaat woensdag nog niet zeggen.

Het besluit om de marine bij de opsporing van de vaten te betrekken, komt van staatssecretaris Schultz van Haegen (Verkeer en Waterstaat). Zij wil de vaten zo snel mogelijk vinden. De kosten die de inzet van de marine met zich meebrengt, komen voor rekening van de verzekeraar van de Andinet.

De voorbereidingen voor de berging van de drie verloren gifcontainers zijn woensdagmorgen hervat. Het weer blijkt minder goed dan verwacht waardoor een kans bestaat dat de voorbereidingen worden gestaakt.