AMSTERDAM - Dat niet-westerse allochtonen relatief vaak worden verdacht van een misdrijf, komt slechts voor een deel door hun achtergestelde sociaaleconomische positie.

Dat concluderen drie wetenschappers in een artikel in de laatste editie van het sociaalwetenschappelijk tijdschrift Mens & Maatschappij.

Zij vermoeden dat ook culturele factoren een rol spelen bij de hogere criminaliteitscijfers onder etnische minderheden.

Zo zou bij Turkse en Marokkaanse jongeren meespelen dat de cultuur van hun ouders en die van de Nederlandse samenleving erg verschillend zijn.

Antillianen

Dat zou tot conflicten en crimineel gedrag kunnen leiden. Bij Antillianen zou kunnen meespelen dat vaders vaak geen deel uitmaken van gezinnen.

De onderzoekers schrijven dat in 2004 1,4 procent van de allochtone Nederlanders tussen de 12 en 60 jaar bij de politie als verdachte stond geregistreerd. Bij de niet-westerse allochtonen was dit 4,5 procent, meer dan drie keer zo veel.

Zij hebben deze cijfers vervolgens gecorrigeerd op een aantal sociaaleconomische factoren, zoals het inkomen van huishoudens.

Autochtonen

De verschillen tussen autochtonen en allochtonen worden dan kleiner, maar zijn nog steeds aanzienlijk. Zo is de kans dat Surinamers van de tweede generatie worden verdacht van een misdrijf 2,2 keer zo groot als bij autochtonen.

Bij Marokkanen van de tweede generatie is dat ruim 3,3 keer en bij Antillianen van de tweede generatie meer dan 1,8 keer.

Positief

De onderzoekers concluderen dan ook: ''Samenvattend kunnen we stellen dat het ook na correctie voor een aantal demografische en sociaaleconomische achtergrondkenmerken niet al te positief is gesteld met de criminaliteit onder niet-westerse allochtonen.''

De wetenschappers Roel Jennissen, Martine Blom en Annemarije Oosterwaal hebben tijdens hun onderzoek cijfers van onder meer het Centraal Bureau voor de Statistiek en de politie met elkaar vergeleken.