DEN HAAG - Het ministerie van justitie ziet geen heil in een nieuw onderzoek naar mogelijke malverstaties bij het telefonisch afluisteren van de Turks-Koerdische zakenman Huseyin Baybasin. Volgens het ministerie is afdoende onderzocht of er manipulaties met het afgeluisterde materiaal hebben plaatsgevonden en is gebleken dat dit niet het geval is.

Dat betoogde landsadvocaat F. Bleichrodt woensdag in kort geding voor de rechter in Den Haag. Het ministerie is door Baybasin en zijn advocaten voor de rechter gedaagd om het nieuwe onderzoek gelast te krijgen.

Baybasin werd vorig jaar door het gerechtshof in Den Bosch veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, onder meer wegens zijn betrokkenheid bij moord en drugshandel. Het dossier-Baybasin bevat weergaven van circa 6000 afgeluisterde telefoongesprekken, die het hart van het bewijs tegen hem vormden.

Volgens Baybasin is dit bewijs vals omdat er met de gesprekken dusdanig is geknoeid dat zij belastend voor hem werden. Hij meent dat de Turkse staat, die al jaren jacht op hem maakt, de hand in het manipulatiecomplot heeft gehad om hem definitief uit te schakelen. In het verleden heeft Turkije vergeefs om Baybasins uitlevering gevraagd.

Manipulaties

Het hof in Den Bosch schoof de beweringen over manipulaties als onbewezen terzijde. Het college baserde zich daarbij op onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). De raadslieden van Baybasin, A. van der Plas en P. Bakker Schut, vonden het NFI-onderzoek volstrekt ontoereikend en schakelden zelf deskundigen in. Dezen kwamen tot de conclusie dat er aanwijzingen zijn voor geknoei en achtten nader onderzoek geboden.

FBI

Baybasin wil dat een gespecialiseerde afdeling van de Amerikaanse FBI dat onderzoek uitvoeren. Daartoe moet de Nederlandse justitie de originele, digitale gegevensdrager, de zogetehen optical disk, beschikbaar stellen. Justitie voelt hier weinig voor maar heeft wel toegezegd deze disc voorlopig niet zal worden vernietigd.

Volgens advocaat Bleichrodt moet de rechter de eis van Baybasin afwijzen, omdat deze de nog lopende strafprocedure (de zaak ligt momenteel bij de Hoge Raad) doorkruist. "Dit kort geding is een noodsprong, een achterdeur" om alsnog gedaan te krijgen wat tijdens het strafproces niet is gelukt, aldus Bleichrodt.