RIJSWIJK - De dood van oud-SS'er Dirk Hoogendam onderstreept nog eens de noodzaak van snelle actie tegen vijf andere Nederlandse oorlogsmisdadigers die na de Tweede Wereldoorlog de wijk namen naar Duitsland. Zij zijn na de oorlog bij verstek ter dood veroordeeld door Nederlandse rechters. Van tenuitvoerlegging van die straffen kwam het de afgelopen decennia niet, ondanks inspanningen van justitie, politici en de media.

Pogingen om de oorlogsmisdadigers uitgeleverd te krijgen, mislukten de afgelopen jaren steevast doordat de inmiddels bejaarde criminelen vlak na de oorlog Duits staatsburger waren geworden. Begin juli vroeg minister Donner van Justitie zijn Duitse collega Zypries nog om de zes Nederlandse oud-SS'ers op te pakken. De Duitsers verklaarden dat ze in principe bereid zijn om mee te werken aan de strafuitvoering.

Daarmee is nog niet gezegd dat de vijf oorlogsmisdadigers die nu nog in leven zijn hun in levenslang omgezette straf ook echt zullen uitzitten. De zaken worden, volgens de gebruikelijke Duitse procedures, voorgelegd aan de Duitse rechter. Als deze oordeelt dat het om juridische redenen niet kan, is de Duitse minister van Justitie daaraan gebonden.

De problemen met het alsnog vervolgen van oorlogsmisdadigers of het uitvoeren van straffen zijn legio. Midden jaren '90 achtte hoogleraar strafrecht C. Ruter de kans op een geslaagde aanpak van naar Duitsland gevluchte Nederlandse oorlogsmisdadigers al zeer klein.

Volgens hem lag Nederland in de jaren '50 van de vorige eeuw zelf dwars toen de Bondsrepubliek de Nederlandse oorlogscriminelen wilde vervolgen. Nederland weigerde destijds rechtshulp (dossiers bij voorbeeld) te leveren. Ruter: "Nederland was er in 1955, toen dit begon te spelen, nog niet aan gewend dat Duitsland weer enige zelfstandigheid had. Bovendien was men bang voor vrijspraak.

Nederland zat mokkend in een hoek en zei: Ik doe niet mee. Toen was iedereen uitgepraat. De Duitse justitie heeft de zaken toen geseponeerd."

Volgens Ruter kan hierop niet worden teruggekomen. Zeker niet als het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens in aanmerking wordt genomen, dat zegt dat er binnen redelijke termijn vervolgd moet worden. Met het gedrag van Nederland uit de jaren vijftig kan er volgens Ruter nooit meer van redelijkheid worden gesproken.

De beul van Ommen

Ondanks alle mitsen en maren ontsnappen niet alle gevluchtte Nederlandse oorlogsmisdadigers aan executie van een opgelegde straf of andere vervolging door justitie. Dat ondervindt de 87-jarige oud-SS'er Herbertus Bikker op 8 september aanstaande. Op die dag staat hij voor de rechtbank in het Duitse Hagen terecht voor moord. Bikker was bewaker van het kamp Erica bij Ommen, waar hij verzetsman Jan Houtman heeft doodgeschoten. 'De beul van Ommen' zegt dat hij uit noodweer handelde.

Bikker kan alleen nog worden veroordeeld wegens moord. Alle andere misdaden, zoals doodslag, zijn inmiddels verjaard. Het Openbaar Ministerie moet aantonen dat het doodschieten van Houtman 'wreed' was, anders is er volgens het Duitse rechtssysteem geen sprake van moord.

Voor de moord van Houtman werd Bikker na de oorlog veroordeeld tot de doodstraf. Die veroordeling werd later omgezet in levenslang. In 1952 ontsnapte Bikker uit de Koepelgevangenis in Breda en vluchtte naar Duitsland, waar hij het Duits staatsburgerschap kreeg.