DEN HAAG - Het ministerie van Justitie bestudeert de uitspraak van de rechtbank in Maastricht, die bepaalde dat een Somalische asielzoekster niet mag worden uitgezet. Volgens de rechter is onvoldoende duidelijk of het gaat om een schrijnend geval.

De vrouw behoorde tot de asielzoekers die een brief schreven aan Justitie, nadat voormalig minister Nawijn (Vreemdelingenzaken) een pardon voor schrijnende gevallen in het vooruitzicht had gesteld. Het ministerie overweegt hoger beroep. Het is onduidelijk in hoeverre de uitspraak van de rechter gevolgen heeft voor andere asielzoekers die een soortgelijke brief schreven.

Minister Nawijn zei op 14 januari in een toespraak voor Vluchtelingenwerk Nederland dat hij in "schrijnende gevallen" gebruik wilden gaan maken van zijn zogeheten afwijkingsbevoegdheid.

Daarop stuurden veel asielzoekers een zogeheten 14-1 brief waarin zij een beroep deden op de afwijkingsbevoegdheid. Minister Nawijn schreef op 18 april aan Vluchtelingenwerk Nederland dat verwijdering uit Nederland niet kan plaatsvinden voor een inhoudelijke beoordeling van de 14-1 brief.

De rechter bepaalde dat "in het onderhavige geval" niet is gebleken dat de schrijnende omstandigheden, zoals de asielzoekster die aanvoerde, inhoudelijk zijn getoetst. Het besluit om de vrouw uit te wijzen is volgens het vonnis onvoldoende gemotiveerd.