BAGDAD - Bij vuurgevechten tussen Britse en Amerikaanse militairen en hun tegenstanders in Irak zijn dinsdag opnieuw doden en gewonden gevallen. De Britse regering meldde dat zes militairen zijn gedood bij al-Amarah, tweehonderd kilometer ten noorden van Basra. Het is voor het eerst sinds het einde van de oorlog in Irak op 1 mei dat Britse militairen bij een schietincident werden gedood.

Eerder kwam ten zuiden van al-Amarah een Britse patrouille onder vuur te liggen waardoor een militair gewond raakte. Een helikopter die in de buurt landde om de in het nauw gebrachte eenheid in veiligheid te brengen werd eveneens beschoten. Daardoor raakten zeven Britten gewond, van wie drie ernstig.

Granaatwerper

Het Centraal Commando in Bagdad meldde dat een Amerikaanse militair in Falluja gewond is geraakt toen zijn legeronderdeel, dat op dat moment in elektriciteitscentrale van de stad was, met granaatwerpers werd aangevallen. Bij hun zoektocht naar de daders opende een Amerikaanse tank het vuur waardoor een Irakees werd gedood. In Falluja, een soennitisch bastion 50 kilomter ten westen van Bagdad, komt het regelmatig tot schermutselingen tussen Irakezen en Amerikanen.

In de nabijgelegen stad Ramadi zijn volgens de Arabische nieuwszender al-Jazeera drie Irakezen gedood en twee gewond geraakt door Amerikaanse vuur. Dat gebeurde nadat de Amerikanen 's nachts door onbekenden waren beschoten.

Pijpleidingen

Om een einde te maken aan de aanslagen op Iraakse olie- en gaspijpleidingen wordt het aantal bewakers langs het in totaal 7400 kilomter lange traject verdubbeld van 3000 naar 6000 man. Een hoge functionaris van het Iraakse ministerie van Olie maakte dat dinsdag bekend. Volgens hem treedt de maatregel zeer snel in werking. Onder meer stamleden uit gebieden waar de pijpleidingen doorheen lopen, zullen worden ingehuurd om de "olie-politie" te versterken.

In de afgelopen dagen werden twee gaspijpleidingen opgeblazen in Irak. Bij de laatste aanslag maandag werd eerst gemeld dat de belangrijkste oliepijpleiding naar Syrië was geraakt, maar de Iraakse olieminister Ghadban zei dinsdag dat het om een gaspijpleiding ging. Het is vooralsnog niet duidelijk wie er achter de 'aanslagen' zitten. Volgens Bagdad is het mogelijk dat de saboteurs gewone dieven zijn die de leidingen opblazen in de hoop olie te kunnen stelen.

Tentenkampen

Ondertussen is de VN-vluchtelingenorganisatie Unhcr bezorgd over het lot van Palestijnse en Syrische vluchtelingen in Irak. Volgens een woordvoerder van de organisatie zijn al meer dan achthonderd Palestijnse families uit hun huizen gezet. Ze worden nu opgevangen in haastig opgezette tentenkampen. De meeste Palestijnen en de Syriërs wonen al vele tientallen jaren in Irak en werden gesteund door de verdreven Iraakse president Saddam Hussein. De Iraakse eigenaren van de woningen waar ze verbleven, wijzen hen nu en masse de deur.

In de verwoede discussie over de legitimiteit van de oorlog tegen de Irak heeft de Britse minister van Buitenlandse Zaken Jack Straw dinsdag ontkend dat zijn regering op valse gronden de oorlog aan het publiek heeft verkocht. Hij zei voor de parlementaire commissie die de zaak onderzoekt dat "sommigen van onze tegenstanders hebben geprobeerd ons woorden in de mond te leggen die wij nooit hebben gebruikt".

'Dodgy dossier'

De bewindsman gaf wel schoorvoetend toe dat de informatieverstrekking aan het publiek verre van perfect was verlopen. Het dossier waarin de vermeende aanwezigheid van massavernietigingswapens in Irak werd 'bewezen' noemde Straw ronduit "genant voor de regering". Het dossier, dat al de geschiedenis is ingegaan als het Dodgy Dossier, was deels letterlijk gekopieerd uit een twaalf jaar oude afstudeerscriptie van een Amerikaanse student.