ROTTERDAM - De rechtbank in Rotterdam beslist donderdag over het lot van twaalf vermeende moslimextremisten. Aanklager J. Valente heeft tien van de twaalf moslims die terechtstaan beschuldigd van deelname aan een criminele organisatie.

Hun netwerk dat in de visie van het Openbaar Ministerie (OM) uit verschillende cellen bestaat, had als doel strijders voor de jihad te rekruteren, voor te bereiden en te ondersteunen. Justitie bedoelt met jihad de gewapende strijd tegen de vijanden van de islam over de hele wereld.

Bewijs

In deze zaak moest het OM voor het eerst zwaar leunen op bewijs dat de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) heeft aangeleverd. Probleem daarbij is dat deze dienst geen inzicht geeft hoe het aan de verzamelde informatie is gekomen. De rechter kan die informatie en de rechtmatigheid van het verkrijgen daarvan dus nauwelijks toetsen.

Vertrouwensbeginsel

Volgens Valente is het toch mogelijk om AIVD-materiaal op te voeren, omdat er sprake is van een vertrouwensbeginsel dat geldt voor het bewijs dat de AIVD op tafel heeft gelegd. De advocaten van de verdachten vinden dit juist onaanvaardbaar, omdat de informatie oncontroleerbaar is en omdat de inlichtingendienst veel uitgebreidere bevoegdheden heeft dan politie en justitie. Daarom heeft de wet de taken van het Openbaar Ministerie en de AIVD ook gescheiden, menen ze.

De AIVD moet de veiligheid van Nederland bewaken, maar mag geen verdachten vervolgen. Politie en justitie moeten strafbare feiten opsporen en wel verdachten vervolgen. Om de rechten van de verdachten te garanderen moet de rechter in hun geval wel alle gebruikte opsporingsmethoden kunnen controleren, stellen de raadslieden.