DEN HAAG - Minister Ernst Hirsch Ballin van Justitie wil de mogelijkheden van DNA-onderzoek in strafzaken meer laten benutten om criminaliteit beter te bestrijden.

Dat schrijft de bewindsman in een nota die hij dinsdag naar de Tweede Kamer heeft gestuurd.

Hirsch Ballin stelt voor het voor de opsporingsdiensten onder meer wettelijk mogelijk te maken ook te werken met DNA van bloedverwanten van mogelijke verdachten, het zogenoemde DNA-verwantschapsonderzoek. "In de praktijk bestaat hieraan een dringende behoefte", schrijft de minister.

Bloedverwanten

Als gewoon DNA-onderzoek geen resultaat heeft, kan volgens Hirsch Ballin dit soort onderzoek uitkomst bieden. Het DNA-profiel van bloedverwanten komt in bepaalde mate met elkaar overeen.

Door DNA-materiaal van een bekende persoon en het materiaal uit een spoor van een onopgelost misdrijf met elkaar te vergelijken, kan duidelijk worden of het spoor afkomstig is van een bloedverwant van die persoon.

Vrijwillig

Deze situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen in een verkrachtingszaak. Het gebeurt wel eens dat een DNA-profiel van iemand die vrijwillig meewerkt aan een grootschalig DNA-onderzoek, niet helemaal maar wel voor een deel overeenkomt met het profiel van een spoor in een onopgelost zaak.

Dat kan erop wijzen dat dit spoor niet van de vrijwilliger, maar wel van een eerstegraads familielid is. Deze vorm van onderzoek mag wat Hirsch Ballin betreft alleen worden ingezet als laatste redmiddel voor de oplossing van ernstige gewelds- of zedenmisdrijven.

Ook kondigt de bewindsman een regeling aan waarin de opsporingsdiensten DNA-materiaal kunnen gebruiken voor onderzoek naar een ongeïdenificeerd overleden slachtoffer of een nog onbekende verdachte. Uit DNA kunnen namelijk uiterlijke kenmerken als geslacht en ras worden gedestilleerd.