BELGRADO - In Belgrado is woensdag de Servische premier Zoran Djindjic doodgeschoten. De regering verdenkt een bende rond een voormalige commandant van een speciale eenheid van de politie ervan achter de moord te zitten. In de deelrepubliek Servië is de noodtoestand uitgeroepen. Internationaal werd geschokt gereageerd op de gewelddadige dood van de pro-westerse en hervormingsgezinde Djindjic.

De moordaanslag had rond een uur 's middags plaats in het centrum van de hoofdstad Belgrado. Net toen hij uit zijn gepantserde auto was gestapt om het regeringsgebouw aan de Nemanjinastraat binnen te gaan, werd hij vanaf het dak van een gebouw aan de overkant onder vuur genomen. De 50-jarige premier werd in buik en rug getroffen. Hij overleed korte tijd later in het ziekenhuis aan zijn verwondingen.

"Ex-bevelhebber verantwoordelijk"

De regering houdt onder anderen ex-bevelhebber Milorad Lukovic verantwoordelijk voor de aanslag. Hij is een van de twintig verdachten. Lukovic, beter bekend onder de naam Legija, zou deel uitmaken van een criminele bende in Belgrado die de afgelopen jaren veel moorden en ontvoeringen pleegde. Zij hoopten met de dood van Djindjic de strijd tegen de georganiseerde misdaad te stoppen, aldus de autoriteiten. De politie verwachtte in de loop van de avond of nacht nog mensen op te pakken.

De Servische interim-presidente Natasa Micic riep de noodtoestand uit in Servië op verzoek van de regering. Vice-premier Nebosja Covic neemt de plaats van Djindjic voorlopig in. De regering besloot de noodtoestand af te kondigen, omdat de grondwettelijke orde in het land in gevaar is. De noodtoestand blijft net zo lang van kracht tot de aanslag is opgelost, aldus Micic.

"Criminele daad"

"Deze criminele daad is een overduidelijke poging van diegenen die in het verleden ook al met aanslagen de Servische ontwikkeling en het democratisch proces probeerden te verhinderen en nu de koers van de geschiedenis proberen te veranderen en Servië weer willen isoleren", aldus Covic. Hij kondigde drie dagen van rouw af.

De strijdkrachten krijgen door de noodtoestand extra volmachten. Zo neemt het leger alle taken van het ministerie van Binnenlandse Zaken en de politie over in de net nieuw gevormde staat Servië-Montenegro, de opvolger van Joegoslavië. De aanslag is niet alleen een bedreiging voor de staatsveiligheid, de mensenrechten en de burgelijke vrijheden, maar ook voor het functioneren van staatsorganen, aldus de regering.

Internationaal is met afschuw gereageerd op de dood van Djindjic. Buitenlandcoördinator van de EU Javier Solana verklaarde diep geschokt te zijn. Solana noemde Djindjic een "persoonlijk vriend" en een "vriend van Europa". Volgens NAVO-secretaris-generaal Robertson "laat deze tragedie zien dat anti-democratische en extremistische krachten nog steeds actief zijn in Servië".

De Amerikaanse president Bush liet via zijn woordvoerder weten dat "wij ons premier Djindjic herinneren voor zijn rol in de vestiging van de democratie in Servië en zijn inspanningen om Slobodan Milosevic voor het gerecht te krijgen".

In Den Haag zei minister De Hoop Scheffer van Buitenlandse Zaken geschokt en verbijsterd te zijn. De Hoop Scheffer beschouwt de moord als "een laffe misdaad en een aanslag op het democratiseringsproces in Servië en op de rechtsstaat Servië".

Zoon legerofficier

De in Bosnië geboren Djindjic was de zoon van een legerofficier. Na een studie filosofie werd hij in 1974 door toenmalig communistisch leider Tito opgepakt wegens een poging een onafhankelijke studentenbeweging te vormen. Na zijn vrijlating ging hij naar West-Duitsland, maar keerde in 1989 terug naar zijn vaderland. Hij voerde daarna campagne voor democratie en tegen het autoritaire bewind van Slobodan Milosevic.

In 1999 vormde zijn Democratische Partij samen met zeventien andere partijen de DOS. Straatprotesten leidden uiteindelijk tot de val van Milosevic en het aan het macht komen van Djindjic in 2001. Hij speelde een sleutelrol in de uitlevering van Milosevic aan het Joegoslavië-Tribunaal.

Zijn partner uit de DOS en gekozen president van Joegoslavië Kostunica werd al snel zijn grootste tegenstander. Kostunica sprak na de moordaanslag zijn afschuw uit. Het woord dat bij mij opkomt is 'afgrijselijk', aldus Kostunica tegen B92.

"Weinig vooruitgang democratisering"

De voormalige president, die zijn functie kwijtraakte toen Joegoslavië veranderde in Servië-Montenegro, liet weten dat de aanslag "ons op verschrikkelijk wijze duidelijk maakt dat wij nog weinig vooruitgang hebben geboekt op weg naar een echte democratisering van de maatschappij".

Vorige maand was Djindjic waarschijnlijk ook al het doelwit van een aanslag. Op 21 februari slaagde zijn chauffeur er op weg naar het vliegveld ternauwernood in een vrachtwagen te ontwijken die zich totaal onverwacht in de baan van de auto van de regeringsleider begaf. Bewijs dat het om een aanslag ging, is er niet.

Djindjic zelf zei enkele dagen later dat hij ervan overtuigd was dat het om een aanslag op zijn leven ging en dat die mogelijk te maken had met pogingen van zijn regering om een eind te maken aan de georganiseerde misdaad. Hij noemde het incident een "zinloze poging" om zijn democratisch veranderingsproces tegen te houden. "Als iemand denkt dat de wet en de hervormingen tegengehouden kunnen worden door mij te elimineren, dan heeft hij het reusachtig mis", zei hij toen tegen de BBC. "Het systeem blijft gewoon functioneren en niemand krijgt gratie voor zijn misdaden door een of twee overheidsfunctionarissen te vermoorden."