DEN HAAG - De Bureaus Jeugdzorg functioneren niet naar behoren. De instellingen, die in 1998 zijn opgezet, zijn onvoldoende bekend bij de doelgroep en kinderen en ouders die de weg er naar toe wel weten te vinden, moeten te lang wachten op hulp.

Dat concludeerde het Landelijk Platform Jeugdzorg (LPJ) in het onderzoek Uitdagingen voor de jeugdzorg; nu doen!, dat in opdracht van demissionair staatssecretaris Ross-van Dorp van Volksgezondheid is opgesteld.

Uit het rapport blijkt ook dat ouderen en jeugdigen onvoldoende betrokken zijn bij de hulpverlening: er wordt over hen beslist in plaats van met hen. De positie van de cliënten dient te worden versterkt, zodat het hele stelsel van jeugdhulpverlening meer vraag- in plaats van aanbodgericht wordt, Ross-van Dorp onderkent de bevindingen van het LPJ.

De staatssecretaris wil een aantal aanbevelingen verwerken in de Wet op de Jeugzorg, die op 1 januari 2004 in werking moet treden. Die wet regelt dat cliënten een beslissende rol krijgen in de hulpverlening, zo staat in een aan de Tweede Kamer gerichte brief van de staatssecretaris over het onderzoek.