UTRECHT - De uitspraken van beoogd Tweede-Kamerlid Hirsi Ali bieden weinig grond voor een strafrechterlijke vervolging. Zij laat zich weliswaar negatief uit over de profeet Mohammed, wat kwetsend kan zijn voor moslims, maar haar bewoordingen zijn niet tegen de moslims zelf gericht.

Dat stelt het Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie (LBR) maandag in een reactie op de uitlatingen van het Kamerlid in spe voor de VVD. Moslimorganisaties dringen bij het Openbaar Ministerie aan op onderzoek naar mogelijke vervolging.

Hirsi Ali zei dit weekeinde in Trouw dat zij de profeet Mohammed naar westerse maatstaven ziet als een "perverse man" en een "tiran". De islamitische organisaties vinden deze uitspraken "lasterlijk" en willen dat het OM haar vervolgt.