DEN HAAG - De parlementaire enquêtecommissie Srebrenica oordeelt in haar maandag verschenen rapport 'Missie zonder vrede' hard over de toenmalige bevelhebber van de Koninklijke Landmacht, luitenant-generaal Couzy. Hem wordt onder meer "onprofessioneel en verwijtbaar" gedrag verweten.

De commissie vindt dat Couzy minister Voorhoeve van Defensie in de dagen na de val van de moslimenclave op 11 juli 1995 onvoldoende op de hoogte heeft gesteld van de informatie over mogelijke oorlogsmisdaden. Couzy had die gekregen tijdens de eerste debriefing in Zagreb. Voorhoeve kwam daardoor later onnodig in politieke problemen.

Couzy

Couzy deed volgens de commissie, die onder leiding stond van het Tweede-Kamerlid Bakker (D66), te weinig om Voorhoeve tijdig en volledig te informeren. Zijn loyaliteit lag meer bij de landmacht dan bij de minister. Dat was "onprofessioneel en verwijtbaar voor een bevelhebber van de Koninklijke Landmacht, die ook een Defensiebrede rol moet vervullen", aldus de commissie. Zij stelt verder dat Voorhoeve van zijn kant daadkrachtiger had moeten ingrijpen om Couzy op het goede spoor te zetten.

De commissie kiest niet echt partij in het debat over het woord 'onwil', maar geeft daar een eigen invulling aan. Het NIOD schreef vorig jaar april in zijn rapport over de val van Srebrenica dat er bij de landmachttop sprake was van onwil om de politieke leiding te informeren. Couzy en vooral de latere bevelhebber Van Baal ageerden daar heftig tegen.

De parlementaire enquêtecommissie schrijft nu dat de vraag kan worden gesteld of de politieke top van het departement "altijd even duidelijk is geweest over haar informatiewensen."

Van Baal

Van Baal, in juli 1995 plaatsvervangend bevelhebber van de landmacht en later bevelhebber, is het slachtoffer geworden van de onduidelijkheid over het begrip onwil, dat "heeft bijgedragen aan een klimaat waarin personele maatregelen zijn genomen". Het terugtreden van Van Baal als bevelhebber na uitkomst van het NIOD-rapport, acht de commissie "begrijpelijk, maar niet terecht". De commissie ziet geen redenen waarom van Baal zijn functie ter beschikking heeft moeten stellen.

Debriefingrapport

Een andere generaal, toenmalig brigade-generaal Van der Wind, had in de nasleep van de val van Srebrenica het Feitenrelaas naast het Debriefingsrapport aan de minister moeten aanbieden. Mede doordat hij verzuimde dat te doen was Voorhoeve niet in staat te voldoen aan zijn informatie- en verantwoordingsplicht aan de Tweede Kamer, aldus het rapport.

De enquêtecommissie vindt verder dat het kabinet-Lubbers en de Tweede Kamer in januari 1994 te veel waarde hebben gehecht aan de toezegging van secretaris-generaal Boutros Ghali van de Verenigde Naties over de inzet van luchtsteun. Het kabinet had bovendien meer aandacht moeten besteden aan de besluitvorming over de uitzending van de Nederlandse militairen. Toenmalig premier Lubbers had daarop moeten toezien. De Tweede Kamer had eerder een debat met het kabinet moeten eisen.

De commissie had een aantal buitenlandse hoofdrolspelers willen spreken tijdens de openbare verhoren vorig jaar november. Maar de voormalige VN-functionarissen Baril, Tharoor, Akashi en Janvier weigerden allemaal. De commissie houdt de Franse generaal en Unprofor-commandant Janvier desondanks verantwoordelijk voor de te late toekenning van luchtsteun toen de enclave werd aangevallen door het Bosnisch-Servische leger.

Unprofor

Unprofor als geheel is tekortgeschoten bij de hulp aan vluchtelingen, stelt de commissie, maar de Dutchbatters hebben zich niet schuldig gemaakt aan misdaden. Wel had Dutchbat-commandant overste Karremans berichten en geruchten over misdaden van de Bosnische-Serviërs duidelijker kunnen en moeten doorgeven aan de Unprofor-leiding. Die echter gaf Karremans weer niet veel meer dan algemene instructies. "Van daadwerkelijke ondersteuning was geen sprake."

Dutchbat

Dutchbat draagt geen verantwoordelijkheid voor de scheiding van moslimmannen en vrouwen door de Bosnisch-Servische troepen van generaal Mladic. Er was sprake van een "loodzwaar dilemma" toen Dutchbat moest kiezen voor de ongeveer 25000 vrouwen en kinderen op en rond de Nederlandse basis in Potocari en het belang van de zeshonderd à zevenhonderd moslimmannen.

Nederland en de internationale gemeenschap hebben volgens de enquêtecommissie onderschat waartoe de Bosnische Serviërs in staat waren. Iedereen liep achter de feiten aan en was onvoldoende voorbereid op de oorlogsmisdaden die door Mladic en zijn mannen werden gepleegd, aldus het rapport. Uiteindelijk werden bijna achtduizend moslimmannen vermoord. De genocide was de ergste in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog.