Dit artikel is afkomstig uit het tijdschrift Margriet. Tijdens de vluchtelingencrisis in 2015 vroegen bijna 60.000 mensen asiel aan in Nederland. Hoe is dat nu? En wat gebeurt er eigenlijk als je hier als vluchteling belandt?

Akram Beiramvand (58)

“Als kind las ik boeken over de Franse revolutie. Dan droomde ik ervan dat Iran een land zou worden waar vrouwen en mannen gelijk zijn en waar mensen niet worden onderdrukt. Ik was zeventien toen ik actief werd in het verzet. Eerst tegen de sjah, later tegen de islamitische dictatuur van ayatollah Khomeini. Ik werd verschillende malen gearresteerd en op mijn 21ste belandde ik in de gevangenis. Het was daar verschrikkelijk, maar de gevangenen waren solidair met elkaar – dat gaf ons kracht.

Na acht jaar werd ik opeens, van de ene op de andere dag, vrijgelaten. Anderhalf jaar na mijn vrijlating kreeg ik een zoon. Tot dan toe was ik altijd tegen vluchten geweest, ik vond dat we moesten blijven vechten voor onze vrijheid in Iran. Maar de kans was groot dat ik weer zou worden gearresteerd. In de gevangenis had ik zo veel moeders met kinderen gezien en zo veel martelingen en executies. Dat wilde ik mijn zoon niet aandoen. Ik ben toen toch gevlucht en liet alles achter.

Leven in Nederland

Toen ik in Nederland aankwam, moest ik helemaal opnieuw beginnen. Ik sprak de taal niet en voelde me zo onzeker. Op zondag ging ik met mijn zoon naar de speeltuin, maar ik kon met niemand praten. Stap voor stap bouwde ik mijn leven op. Ik leerde Nederlands, deed een opleiding en vond een fijne baan bij het Rode Kruis, op de afdeling die mensen in oorlogsgebieden opspoort. Mijn collega’s waren zo aardig. Ik ben nu 24 jaar in Nederland en voel me helemaal thuis. Mijn zoon is volwassen en werkt onder meer als juridisch onderzoeker."

Mensenrechten zijn belangrijk voor mij gebleven. Daarom vertel ik mijn verhaal op hogescholen en universiteiten. Ook doe ik dit om aandacht te vragen voor de mensen in Iran die nog steeds gevangen zitten. Ik zal mijn verhaal blijven vertellen totdat er vrijheid is in Iran.”

Nadesha Bukuru (37)

“Ik was vijf maanden zwanger en drie jaar in Nederland toen ik een brief kreeg van de IND: mijn verblijfsvergunning werd ingetrokken en ik moest terug naar Burundi. Het zou daar weer veilig zijn. Ik begreep er niets van, want ik wist dat de situatie nog steeds gevaarlijk was. Ik had mijn broer en vader verloren tijdens de burgeroorlog, mijn moeder en andere familieleden waren gevlucht naar buurlanden. Waar moest ik dan naartoe?

Wachten in onzekerheid

Ik ging in beroep en die procedure duurde tien jaar. Gedurende die tijd mocht ik niet werken, ik moest stoppen met mijn zorgopleiding en had geen inkomen. Mijn zoontje Mhando en ik overleefden dankzij hulp van onze buren, van de kerk, van VluchtelingenWerk en de voedselbank.

Mhando groeide op terwijl hij wist in wat voor situatie we zaten. Hij kon niet goed leren omdat hij altijd zat te piekeren. Hij zei: ‘Mama, waarom mag ik niet in Nederland blijven, ik ben hier toch geboren?’ Altijd als hij nieuwe mensen ontmoette, vroeg hij: ‘Mag u in Nederland blijven?’

Begin dit jaar kreeg ik te horen dat we misschien in aanmerking kwamen voor het Kinderpardon. Ik durfde er niet op te hopen, maar afgelopen lente kreeg ik een mail van mijn advocaat: we mogen in Nederland blijven. Het is zulk goed nieuws, maar echt blij zijn kan ik nog niet. Ik heb gewoon geen energie meer na al die jaren van angst en onzekerheid. Ik moet eerst tot rust komen, maar Mhando is wel heel blij. Het gaat nu ook goed met hem op school."