Dit artikel is afkomstig uit het tijdschrift Quest Psychologie. Robots zijn machines, maar ze gaan langzamerhand wel steeds meer op de mens lijken. Niet alleen in hun gedrag, ook op uiterlijk vlak. Waarom worden ze zo gebouwd?

Robots maken die als twee druppels water op de mens lijken, is een specifieke tak van sport. Maar ook andere robots krijgen steeds vaker een menselijk sausje. Ze hebben armpjes, beentjes, een hoofd, bewegen zoals de mens en kunnen soms praten. Waarom maakt men het liefst robots die op de mens lijkt? En heeft dat ook nadelen?

Hele menselijke robots

Het is niet zo gek dat robotontwerpers het menselijk lichaam als voorbeeld nemen, vindt robotonderzoeker Roy de Kleijn (Universiteit Leiden). "Eigenlijk zit het menselijk lichaam heel goed in elkaar. We hebben ogen waar we diepte mee zien, handen waarmee we grote en kleine objecten kunnen grijpen, armen om nog meer vast te kunnen pakken, twee benen om ons te verplaatsen. Allemaal ‘onderdelen’ waar een robot ook iets aan kan hebben."

Toch kan een te menselijke robot je een ongemakkelijk gevoel geven. Worden robots zo levensecht dat je er nietsvermoedend mee kunt klaverjassen, dan jaagt hun uiterlijk je waarschijnlijk ook geen angst aan. Het gebied ertussenin, als ze heel menselijk lijken maar toch net niet, noemen wetenschappers de uncanny valley.

Bij robots lijkt dat effect extra sterk als hun gedrag niet strookt met hun uiterlijk. "We willen dat een robot in uiterlijk en gedrag op een mens lijkt", zegt ook De Kleijn. "En andersom willen we dat een robot die eruitziet als een machine zich niet menselijk gedraagt."

Experiment

Een argument om robots iets menselijks te geven, is dat je dan makkelijker met ze overweg kunt. Al hoeft hij daarvoor niet eens sprekend op de mens te lijken.

In een klein Brits experiment werkten mensen liever samen met een communicerende robot dan met een exemplaar dat hen doodzwijgt, zelfs als de pratende versie meer fouten maakt. De robot hielp de proefpersonen met het maken van een omelet. Liet hij een ei vallen? Zand erover, zeker als hij met een droevig gezicht zijn excuses aanbood.

Toen die bewuste robot aan het eind vroeg of de proefpersonen hem een baantje als keukenassistent wilden geven, bleek het verdomd moeilijk om de arme drommel af te wijzen. Een persoon beeldde zich in dat de robot verdrietig keek toen hij nee zei, terwijl in werkelijkheid niks in de blik veranderde. Een ander gaf achteraf toe dat ze loog toen ze ‘ja’ zei. Een communicatieve robotassistent is prima, concluderen de onderzoekers, maar hij kan beter niet te veel emoties tonen.

Menselijke emoties projecteren op robots

Dat gaat nog een uitdaging worden, door de neiging tot antropomorfiseren: men kent menselijke eigenschappen, zoals emoties en gedachtes, toe aan dieren of voorwerpen. Iemand noemt zijn hond bijvoorbeeld verdrietig als hij geen eten krijgt en afdruipt. Maar voelt het dier echt verdriet of projecteert het baasje een menselijke emotie op zijn huisdier?

"Een menselijke manier van presenteren beïnvloedt onze interactie met robots", zegt Sari Nijssen, hoofdonderzoeker van de studie. "Maar het blijft de vraag hoe mensen in de echte wereld handelen."

Toekomstbeeld

Zou je robots in de toekomst zozeer als een vriend kunnen beschouwen? Of kun je verliefd op ze worden? Dan moeten ze nog wel veel menselijker worden, stelt De Kleijn. "Als een robot in uiterlijk en gedrag niet meer te onderscheiden is van de mens, wat houd je dan tegen om er verliefd op te worden?" Er wordt hard gewerkt aan kunstmatige intelligentie die steeds beter zelfstandig gesprekken met mensen moet kunnen gaan voeren en zelf kan bijleren.