Een stil hartinfarct - een hartaanval waar je niks van merkt - komt bij vrouwen twee keer zo vaak voor als bij mannen. Ook andere diagnoses worden soms laat of niet gesteld bij vrouwen. Hoe komt het dat verschillen in sekse, gender en sociale achtergrond nog steeds leiden tot ongelijkheid in de zorg?

Ongelijkheid in de zorg heeft alles te maken met een gebrek aan aandacht voor de biologische en sociale verschillen tussen patiënten. Dat zeggen Petra Verdonk en Maaike Muntinga. De onderzoekers van het Amsterdam UMC bestuderen de invloed van sekse (iemands geslacht), gender (welke sociale rollen en verwachtingen horen bij het hebben van een bepaald lichaam) en andere identiteitskenmerken op iemands gezondheid en op de zorg die hij of zij krijgt.

"In de geneeskunde werd heel lang aangenomen dat vrouwen een soort kleine mannetjes waren, dat je gewoon dezelfde logica moest toepassen op vrouwen als op mannen", zegt senior onderzoeker Maaike Muntinga. "Dat klopt zowel biologisch als sociaal gezien niet. Ook in 2021 zien de lichamen en levens van mannen en vrouwen er gemiddeld genomen nog steeds heel anders uit."

Kritiek op mannelijk perspectief

Het is al tientallen jaren lang bekend dat mannen en vrouwen verschillend reageren op bepaalde ziektes en behandelingen. In de jaren zeventig riepen vooral vrouwelijke wetenschappers en artsen op tot meer aandacht voor de invloed van man- of vrouw-zijn op gezondheid.

Dit gebrek aan aandacht kwam door het uitsluitend mannelijk perspectief in de geneeskunde. Sociale en biologische verschillen tussen mannen en vrouwen werden daardoor zowel overschat als onderschat. Mede hierdoor werden de gezondheidsproblemen van vrouwen en 'achtergestelde' groepen onvoldoende onderzocht.

"Tot ver in de twintigste eeuw bepaalden witte mannelijke wetenschappers en artsen waar onderzoek naar werd gedaan en welke vragen er werden gesteld", aldus Muntinga. "Vrouwen werden buiten onderzoeken naar de werking en bijwerkingen van medicijnen gehouden, en zijn nog steeds ondervertegenwoordigd. De invloed van gender op diagnose en behandeling werd lang als irrelevant gezien."

Oog voor sekse en gender in de pandemie

Volgens Muntinga is de vraag of er verschillen zijn tussen mannen en vrouwen relevant voor alle aandoeningen en in alle medische specialismen, van de huisartsenzorg tot de reumatologie en de psychiatrie. "Neem anorexia. Dat wordt gezien als een 'vrouwenziekte', waardoor mannen met anorexia vaak over het hoofd worden gezien. Rekening houden met de verschillen tussen man en vrouw is dus óók belangrijk voor mannen."

De coronacrisis onderstreepte hoeveel invloed sekse, leeftijd en sociale context kunnen hebben in de zorg. Zo bleek vrij snel na het uitbreken van de pandemie dat mannen van boven de 60 jaar een verhoogd risico hadden om ernstig ziek te worden of te overlijden door COVID-19, zeker in combinatie met overgewicht en onderliggende aandoeningen. In april 2020 riep universitair hoofddocent Petra Verdonk wetenschappers op om in onderzoeken naar het virus én de evaluatie van de maatregelen oog te hebben voor verschillen in sekse en gender. "Als je die namelijk niet vanaf het begin meeneemt, dweil je steeds met de kraan open."

Biologische verschillen

In de cardiologie, het medische specialisme dat zich bezighoudt met het hart, is deze manier van denken het best geland, zegt Verdonk. "In de geneeskunde is lang gedacht dat medische kennis, bijvoorbeeld hoe je een bepaalde hartkwaal moet behandelen of welke medicijnen het beste werken, algemeen geldend is."

Inmiddels weten we dat hart- en vaatziekten zich bij mannen anders manifesteren dan bij vrouwen. Zo ontstaat hartfalen bij mannen meestal door een infarct en gaat er bij vrouwen vaker een hoge bloeddruk of suikerziekte aan vooraf. "Mannen- en vrouwenlichamen reageren ook verschillend op dezelfde medicijnen. Daar houden cardiologen nu goed rekening mee."

Weerbarstige praktijk

Toch is er volgens de onderzoekers nog een wereld te winnen. In de zorg, de wetenschap en het onderwijs zou er behalve voor biologische sekseverschillen ook meer aandacht moeten zijn voor identiteitskenmerken zoals gender, leeftijd, afkomst en sociaal-economische achtergrond. "Artsen, onderzoekers en docenten zouden al deze factoren structureel moeten meenemen in hun denken, zodat de zorg steeds meer wordt toegespitst op het individu", aldus Verdonk. "Als dit niet gebeurt, krijg je ongelijkheid."

De onderzoeker is blij dat er in de cardiologie en huisartsenzorg stappen in de goede richting zijn gezet, maar ziet ook dat de praktijk weerbarstig is. "Artsen zijn druk, doen ontzettend hun best en vinden het vaak lastig om toe te geven dat het nóg beter kan. Jongere dokters staan hier over het algemeen meer voor open dat oudere artsen, maar die laatste groep heeft meer gezag om voor verandering te zorgen. Die invloed mogen ze van mij wel wat meer inzetten."

Kwaliteitsslag in de zorg

Volgens Muntinga ligt de verantwoordelijkheid voor deze verandering niet alleen bij de artsen. "Artsen maken gebruik van medische richtlijnen die zijn opgesteld op basis van wetenschappelijk onderzoek. Als ze bewijs hebben dat een methode werkt en zien dat collega's die toepassen, zullen ze die sneller zelf gaan gebruiken. De verantwoordelijkheid ligt dus óók bij de overheid, die geld en middelen beschikbaar moet stellen om onderzoek mogelijk te maken dat tot nieuwe richtlijnen leidt."

Deze richtlijnen en een proactieve houding van subsidiegevers zijn volgens de onderzoekers noodzakelijk om ervoor te zorgen dat overal in de zorg meer aandacht komt voor sekse en gender. "Door als wetenschappers samen te werken met artsen, de overheid en grote partijen in het zorgveld zoals ziekenhuizen en zorgverzekeraars, kunnen we op dit gebied echt een grote kwaliteitsslag maken."

Stel je vraag aan de wetenschap

Heb jij meer vragen over (medische) verschillen tussen mannen en vrouwen? Wil je zelf vragen stellen aan onderzoekers? De Nationale Wetenschapsagenda (NWA) gaat op zoek naar jullie vragen aan de wetenschap. Ga naar hun website voor meer informatie.